Conceptsyllabus Friese taal en cultuur havo

Voorwoord

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) stelt voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs examenprogramma's vast. Een examenprogramma wordt afgesloten met een eindexamen, bestaande uit een schoolexamen en een centraal examen. In het examenprogramma zijn de exameneenheden aangewezen voor toetsing in het centraal examen: het CE-deel van het examenprogramma.

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) specificeert in een syllabus het deel van een examenprogramma dat voor het centraal examen is aangewezen. Een syllabus bevat géén specificatie van de inhouden voor het schoolexamen. Informatie over het schoolexamen is te vinden in handreikingen van Stichting Leerplanontwikkeling (SLO).

Het doel van een syllabus is om een leraar in staat te stellen zich een goed beeld te vormen van wat er in het centraal examen kan worden bevraagd. Een syllabus is ook een hulpmiddel voor kandidaten die zichzelf op een centraal examen voorbereiden, bijvoorbeeld voor het doen van een staatsexamen. Een syllabus is geen volledig gesloten en afgebakende beschrijving van alles wat op een centraal examen zou kunnen voorkomen. Het is mogelijk, al zal dat maar in beperkte mate voorkomen, dat op een centraal examen iets aan de orde komt dat niet met zo veel woorden in de syllabus is benoemd, maar logischerwijs in het verlengde daarvan ligt.

Voor elk afzonderlijk examenjaar stelt het CvTE syllabi vast. Dat gebeurt twee jaar vóór de afname van de betreffende centrale examens. Wijzigingen in een syllabus ten opzichte van het voorgaande examenjaar zijn geel gemarkeerd. In een enkel geval kan een al vastgestelde syllabus nog worden aangepast, bijvoorbeeld als een daarin beschreven gegeven feitelijk is veranderd. In de Septembermededeling voorafgaand aan het centraal examen is aangegeven of een syllabus is aangepast.

Het CvTE publiceert de syllabi op examenblad.nl, de officiële website voor de centrale examens in het voortgezet onderwijs.

Opmerkingen over syllabi kun je doorgeven via het contactformulier.

De voorzitter van het College voor Toetsen en Examens,

Drs. J.H (John) van der Vegt MPM

Domeinen in het examenprogramma

CodeDomeinSubdomeinType
ATaal leren en gebruiken CE, SE
A1Taal leren en gebruikenReceptieve taalvaardigheidCE
A2Taal leren en gebruikenProductieve taalvaardigheidSE
A3Taal leren en gebruikenInteractieSE
BTaalbewustzijn CE, SE
B1TaalbewustzijnTaal als fenomeenCE, SE
B2TaalbewustzijnTaal en individuSE
CCultuurbewustzijn CE, SE
C1CultuurbewustzijnFries erfgoedCE, SE
C2CultuurbewustzijnCultuurbelevingSE
DSchrijfverdieping  
ETaalonderzoek  
FCultuuronderzoek  

Specificatie CE-domeinen

Domein A: Taal leren en gebruiken

Subdomein A1: Receptieve taalvaardigheid

Eindterm 1

De leerling toont begrip van de inhoud van auditieve en audiovisuele Friestalige bronnen. (B)

Het gaat hierbij om:

  • luisteren en kijken naar zakelijke en literaire teksten over een breed scala aan concrete en abstracte onderwerpen;
  • beschrijven van inhoudelijke relaties binnen en tussen teksten;
  • selecteren van bruikbare en betrouwbare informatie uit teksten;
  • beschrijven van onderwerp, hoofdzaken en perspectieven.

Specificatie:

  • De teksten handelen over maatschappelijke onderwerpen die concreet of abstract kunnen zijn. Deze kunnen in verband staan met de subdomeinen B1 (taal als fenomeen) en C1 (Fries erfgoed).
  • De teksten kunnen formeel en informeel van aard zijn.
  • De teksten kunnen worden bevraagd als op zichzelf staande teksten of in samenhang met andere teksten.
  • Inhoudelijke relatie: de wijze waarop de inhoud van het ene tekstdeel of de ene tekst zich verhoudt tot die van een ander tekstdeel of een andere tekst.
  • Beoordelen van de bruikbaarheid van een tekst in relatie tot het doel dat kijker/luisteraar heeft.
  • Beoordelen van de betrouwbaarheid van een tekst op de volgende aspecten: de deskundigheid en intentie van de maker, de plaats van publicatie, het genre, het beoogde publiek, de actualiteit van de informatie, de kwaliteit van de informatie of argumentatie, de controleerbaarheid van de inhoud, en het taalgebruik.
  • Perspectief: zienswijze van de spreker, verschillende invalshoeken in de tekst, vertelperspectief.
Eindterm 2

De leerling toont begrip van de inhoud van schriftelijke Friestalige teksten. (B)

Het gaat hierbij om:

  • lezen van zakelijke en literaire teksten over een breed scala aan concrete en abstracte onderwerpen;
  • beschrijven van inhoudelijke relaties binnen en tussen teksten;
  • beschrijven van communicatieve doelen, perspectieven, publiek en context;
  • selecteren van bruikbare en betrouwbare informatie uit teksten;
  • beschrijven van onderwerp, hoofdgedachte, hoofd- en bijzaken.

Specificatie:

  • De teksten handelen over maatschappelijke onderwerpen die concreet of abstract kunnen zijn. Deze kunnen in verband staan met de subdomeinen B1 (taal als fenomeen) en C1 (Fries erfgoed).
  • De teksten kunnen formeel en informeel van aard zijn.
  • De teksten kunnen worden bevraagd als op zichzelf staande teksten of in samenhang met andere teksten.
  • Inhoudelijke relatie: de wijze waarop de inhoud van het ene tekstdeel of de ene tekst zich verhoudt tot die van een ander tekstdeel of een andere tekst.
  • Beoordelen van de bruikbaarheid van een tekst in relatie tot het doel dat de lezer heeft.
  • Beoordelen van de betrouwbaarheid van een tekst op de volgende aspecten: de deskundigheid en intentie van de maker, de plaats van publicatie, het genre, het beoogde publiek, de actualiteit van de informatie, de kwaliteit van de informatie of argumentatie, de controleerbaarheid van de inhoud, en het taalgebruik.
  • Perspectief: zienswijze van de auteur, verschillende invalshoeken in de tekst, vertelperspectief. 

Domein B: Taalbewustzijn

Subdomein B1: Taal als fenomeen

Eindterm 7

De leerling toont inzicht in kenmerken van de Friese taal. (B)

Het gaat hierbij om:

  • benoemen van kenmerken van de Friese taal op klank-, woord- en zinsniveau;
  • beschrijven van verschillen en overeenkomsten tussen kenmerken van de Friese taal, haar taalvariëteiten en andere taalvariëteiten in Friesland;
  • beschrijven van verschillen en overeenkomsten tussen kenmerken van de Friese taal en verwante talen.

Specificatie:

  • De auditieve, audiovisuele en schriftelijke teksten (eindterm 1 en 2) kunnen handelen over kenmerken van de Friese taal, haar taalvariëteiten en andere taalvariëteiten in Friesland. Kennis uit eindterm 7 wordt daarbij niet op zichzelf bevraagd.
Eindterm 8

De leerling toont inzicht in de positie van de Friese taal in de meertalige samenleving. (B)

Het gaat hierbij om:

  • beschrijven van de wettelijke status van de Friese taal;
  • vergelijken van de wettelijke status van de Friese taal met de uitwerking ervan in de dagelijkse praktijk;
  • verwoorden hoe de positie van de Friese taal verandert onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen.

Specificatie:

  • De auditieve, audiovisuele en schriftelijke teksten (eindterm 1 en 2) kunnen handelen over de status en positie van de Friese taal in de meertalige samenleving en over hoe die verandert onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen. Kennis uit eindterm 8 wordt daarbij niet op zichzelf bevraagd.

Domein C: Cultuurbewustzijn

Subdomein C1: Fries erfgoed

Eindterm 12

De leerling toont inzicht in het materiële en immateriële erfgoed van Friesland. (B)

Het gaat hierbij om:

  • beschrijven van kenmerken van Friese landschapstypen, hun ontwikkeling en het belang ervan in de huidige tijd;
  • beschrijven van kenmerkende aspecten van de Friese cultuur en geschiedenis;
  • verwoorden hoe tradities en gebruiken en de daaraan verbonden waarden en opvattingen ontstaan en veranderen;
  • uitleggen hoe belangrijke gebeurtenissen en ontwikkelingen uit de Friese geschiedenis doorwerken tot in het heden.

Specificatie:

  • De auditieve, audiovisuele en schriftelijke teksten (eindterm 1 en 2) kunnen handelen over de inhouden uit de invalshoeken. Kennis over deze inhouden wordt niet op zichzelf bevraagd.
  • Weten dat Fries erfgoed vanuit de volgende invalshoeken te benaderen is:
    1. Friesland en de wereld
      Friezen trekken de wereld in, zowel individueel als in groepsverband. Ze maken kennis met andere mensen, talen, verhalen, tradities, gewoontes en gebruiken, met kunst en literatuur, met materialen en producten en brengen deze mee terug naar Friesland. Op hun beurt delen Friezen hun kennis en ervaring met anderen.
      Omgekeerd migreren mensen uit alle windstreken naar Friesland. Zij brengen hun eigen kennis en ervaring mee en dragen bij aan de diversiteit en ontwikkeling van Friesland.  
      De uitwisseling tussen Friesland en de wereld op cultureel, sociaal, religieus, politiek en economisch gebied vindt, naast traditionele vormen van uitwisseling, in toenemende mate plaats binnen de digitale wereld.
      Sporen van deze dynamiek zijn zichtbaar in de inrichting van het Friese landschap en zijn huidige en historische bebouwing. Ook in de Friese taal, haar variëteiten en in andere taalvariëteiten in Friesland vind je effecten hiervan terug. Verder kunnen in (digitale) archieven, musea en andere erfgoedcentra, daarnaast in literatuur en andere kunstvormen, getuigenissen van deze uitwisseling tussen Friesland en de wereld worden bekeken en bestudeerd. Deze getuigenissen vormen een rijke inspiratiebron voor diverse culturele en literaire uitingen.
      Afhankelijk van het perspectief van de betrokkenen heeft de uitwisseling tussen Friesland en de wereld zowel hoogte- als dieptepunten in de Friese geschiedenis teweeggebracht.  
      De uitwisseling tussen Friesland en de wereld is een voortdurend proces dat Friesland blijft vormen. Daarbij wordt de Friese samenleving steeds uitgedaagd een evenwicht te vinden tussen de eigen dynamiek en invloeden van buitenaf.
    2. Friesland en het landschap 
      Friesland heeft door de eeuwen heen wisselende vormen en grenzen gehad. Het huidige Friese landschap bestaat uit een gevarieerd geheel van kleinschalige zandlandschappen, weidse veenweiden en meren, open kleilandschappen en het waddengebied met zijn kwelders, zee en eilanden.
      Het Friese landschap geeft met zijn verschillende landschapstypen vorm aan de regio’s en beïnvloedt hun economische en sociale ontwikkeling. Het landschap bepaalt hoe mensen wonen en werken, maar ook hoe ze denken, zich voelen en zich uitdrukken. Daarnaast speelt het een rol in het ontstaan en verdwijnen van beroepen, het vormen van sociale structuren en in de ontwikkeling van de Friese taal en cultuur.
      Het Friese landschap is al eeuwenlang in beweging door de voortdurende dynamiek tussen mens en natuur. Of het nu gaat om het opwerpen van terpen of het plaatsen van moderne windmolens: het landschap draagt de sporen van menselijk ingrijpen door de eeuwen heen.
      Het Friese landschap blijft onderhevig aan verandering. Bebouwing, natuur- en waterbeheer, klimaatverandering, bodemdaling en biodiversiteitsverlies, maar ook hoe mensen wonen, werken en recreëren, laten hun sporen na – in het landschap én in het leven van zijn bewoners. Dat roept vragen op: hoe gaan we op een zorgvuldige en verantwoorde manier om met dit landschap? Wat willen we behouden voor toekomstige generaties?
      Soms helpt het om het verleden en heden met elkaar te vergelijken, om zo meer inzicht te krijgen in de bedoelde en onbedoelde gevolgen van menselijk ingrijpen. Soms is er behoefte aan kennis van deskundigen en soms is juist het perspectief van auteurs en kunstenaars nodig om hierop een antwoord te formuleren.
    3. 'Mienskip' 
      Met het Friese woord ‘Mienskip’ (‘gemeenschap’) wordt de specifiek Friese samenleving aangeduid, zoals deze dagelijks vorm krijgt op plekken waar mensen samenkomen en ervaringen delen. Dit gebeurt binnen georganiseerde verbanden zoals toneel- en sportverenigingen, iepenloftspullen, korpsen, koren, kerken en musea, leesclubs en bibliotheken. Ook bij regionale feesten, gedenkdagen en evenementen of andere mienskipsinitiatieven komt zij tot leven. Daarnaast is ‘Mienskip’ merkbaar op informele plekken zoals op straat en in de buurt. Zelfs buiten de provinciegrenzen kan in de ontmoeting met andere Friezen een gevoel van sociale cohesie worden ervaren.
      'Mienskip’ leeft in de taal en de manier waarop mensen tradities, gewoonten en waarden beleven, uitdragen en doorgeven. Friese kennisinstituten, musea en regionale media, evenals kunstvormen als Friese literatuur, muziek, beeldende kunst en design, spelen een belangrijke rol in het behouden en versterken van deze ‘Mienskip’.
      ‘Mienskip’ is geen vaststaand gegeven, maar een dynamisch proces. Een gemeenschap is altijd in beweging, afhankelijk van tijd, context of perspectief.
      'Mienskip' verbindt mensen, maar kan ook uitsluiten of een gevoel van uitsluiting geven. Waar de één saamhorigheid ervaart, kan de ander juist afstand ondervinden of zich buitengesloten voelen. Het is en blijft een uitdaging om daar als gemeenschap op een zorgvuldige manier mee om te gaan.
    4. ‘Do bist goud’ 
      Mensen die goud waard zijn, hebben een persoonlijke waarde of een bijzondere waarde voor een groep of gemeenschap. Het gaat daarbij niet om bekendheid; ook iemand uit de directe omgeving kan van grote waarde zijn.
      Waardering geldt niet alleen voor mensen, maar kan ook gelden voor flora en fauna en landschappen, voor boeken, kunstwerken, verhalen, documenten en objecten, voor tradities, gebeurtenissen en evenementen.
      Zoals elke samenleving kent ook de Friese samenleving een eigen verzameling van culturele en historische onderwerpen die door een gemeenschap belangrijk en waardevol worden gevonden. Deze selectie wordt gevormd door de normen, waarden en ideeën die op dat moment gelden.
      Sommige van deze onderwerpen zijn generaties lang betekenisvol voor de gemeenschap, terwijl andere in de loop van de tijd uit het zicht raken of kritisch worden bezien.
      Het omgekeerde gebeurt ook: onder invloed van veranderende maatschappelijke opvattingen krijgen sommige figuren, gebeurtenissen of andere elementen pas later betekenis. Wat eerder geen erkenning kreeg, wordt nu gezien als waardevol. Denk bijvoorbeeld aan personen die hun tijd ver vooruit waren of die vroeger geen ruimte kregen in de samenleving. 
Eindterm 13

De leerling toont inzicht in de Friese literatuur in heden en verleden. (B)

Het gaat hierbij om:

  • uitleggen hoe verschillende spelers een rol hebben in het literaire veld;
  • beschrijven van verschillen en overeenkomsten tussen oudere en hedendaagse literatuur;
  • uitleggen hoe literatuur bijdraagt aan de instandhouding en versterking van de Friese taal en het gebruik van de Friese taal;
  • verbanden leggen tussen literatuur en de historische context waarin deze is ontstaan.

Specificatie:

  • De auditieve, audiovisuele en schriftelijke teksten (eindterm 1 en 2) kunnen handelen over de Friese literatuur in heden en verleden of afkomstig zijn uit de Friese literatuur. Kennis over de Friese literatuur wordt niet op zichzelf bevraagd.
  • Bekend zijn met de Friese literatuur en wel in drie hoofdvormen ervan: verhalende, lyrische en dramatische teksten.
  • Bekend zijn met de rol van personen en organisaties in de totstandkoming, verspreiding en waardering van literatuur.