Normering centrale examens

Elk jaar doen zo'n 200.000 leerlingen centraal examen, in vijf of meer vakken. Als de leerlingen hun examenwerk hebben ingeleverd, wordt hun cijfer in twee stappen vastgesteld: eerst de correctie, dan de normering.

De correctie

Bij de centrale examens hoort een correctievoorschrift. Dat geeft aan wat het juiste antwoord is, hoeveel punten dat waard is en of er ook punten kunnen worden gegeven voor deelstappen. De correctoren, de eigen docent en iemand van een andere school, passen het correctievoorschrift toe. Na de correctie tellen ze de punten op die de leerling heeft gehaald en stellen ze de score van de leerling vast, bijvoorbeeld 38 van de 76 punten. Het cijfer staat dan nog niet vast, daarvoor is de tweede stap nodig: de normering.

Wat is normering?

Normeren is het toekennen van een waarde aan een behaalde score; een cijfer. Daarvoor hebben we een normeringsterm nodig, afgekort de N-term.

De N-term zorgt ervoor dat een leerling bij een heel moeilijk examen met 40% van de scorepunten al een voldoende krijgt, terwijl hij bij een gemakkelijk examen misschien wel 60% van de scorepunten moet halen voor een voldoende. Hoe makkelijker het examen, hoe meer punten voor een voldoende nodig zijn. Dit is nodig om te zorgen dat de eisen steeds gelijk zijn en dus de lat op dezelfde hoogte wordt gehouden.

Het mag namelijk niet zo zijn dat leerlingen in het ene jaar geluk hebben met een gemakkelijk examen, bijvoorbeeld natuurkunde havo, en dat wie een ander jaar examen doet, pech heeft omdat het examen een stuk moeilijker is.

De simpele oplossing is: zorg ervoor dat het examen elk jaar precies even moeilijk is. Dat is helaas niet uitvoerbaar. Onze examens bevatten geen standaard vragen van een type dat elk jaar terugkomt. Maar ook als de vragen vrij standaard zijn, is het niet mogelijk om twee precies even moeilijke teksten Frans te vinden.

Een nog simpeler oplossing is: geef elk jaar hetzelfde examen. Dat is dan gegarandeerd even moeilijk. Ook daaraan kleven bezwaren: geleidelijk aan worden immers de examenvragen bekend.

Kortom: examens zijn van jaar tot jaar niet identiek en niet precies even moeilijk. Een leerling kan in het ene jaar een lastiger examen economie, Duits of natuurkunde treffen dan in het andere jaar. Is het examen natuurkunde havo een jaar aan de moeilijke kant, dan zijn minder punten nodig voor een 6. Is een examen een keer eenvoudiger, dan zijn er meer punten nodig voor die 6. Om de eisen gelijk te houden en de lat op dezelfde hoogte, wordt geschoven met de N-term.

Hoe komt de N-term tot stand?

Elk examen heeft een eigen N-term. Hoe stelt het College voor Toetsen en Examens (CvTE) dan de juiste N-term vast? Vaak wordt gedacht: door 'gewoon' het gemiddelde constant te houden. Dat lijkt voor de hand liggend. De redenering is dan: als alle leerlingen het examen ineens goed maken, dan zal het wel makkelijk zijn. Dat lijkt simpel, maar het is niet eerlijk. Want als leerlingen en docenten harder gaan werken, hebben ze er recht op dat ze daarvoor beloond worden, in plaats van afgestraft met een strengere N-term.

Hoe weet het CvTE nu wat er aan de hand is? Als het examen Engels dit jaar beter wordt gemaakt dan vorig jaar, dan kunnen er twee dingen spelen: het examen kan makkelijker zijn of de leerlingen zijn harder gaan werken. Of misschien wel allebei. Om een eerlijke vergelijking te kunnen maken, moet je de groepen kunnen vergelijken, waarna je conclusies kan trekken over de examens. Of je moet de examens vergelijken, waarna je conclusies kan trekken over de groepen leerlingen die het examen hebben gemaakt. Het CvTE doet, samen met Cito, het laatste.

Normeringsproces

In onderstaande infographic is schematisch weergegeven hoe de N-term tot stand komt en wie daarbij betrokken zijn.

Infographic

Klik op de infographic voor een grotere versie

Tweede tijdvak

In principe zijn de N-termen voor het tweede tijdvak dezelfde als de technische N-termen uit het eerst tijdvak. Als blijkt dat het examen echter moeilijker is gebleken dan wordt de N-term bijgesteld.

Meer informatie