Eindtermen centraal examen filosofie vwo 2008 en 2009

kenmerk: CEVO-07.1046
datum: 30 mei 2007
gepubliceerd: Staatscourant 2007, nr. 107, 7 juni 2007, p. 11; CFI-Online 4 juni 2007

In de bijlage bij deze regeling worden de eindtermen bij het onderwerp 'Rede en religie' voor het centraal examen filosofie vwo in 2008 en 2009 vastgesteld.

Deze regeling treedt in werking op 10 juni 2007.

Besluit

De voorzitter van de centrale examencommissie vaststelling opgaven

Gelet op:

  • artikel 39 van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.
  • artikel 7 van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. in samenhang met het examenprogramma filosofie;
  • Regeling centraal examen 2006, artikel 6 lid 3, kenmerk: CEVO-04.0700

Besluit

Artikel 1.

De eindtermen bij het Onderwerp 'Rede en religie' voor het centraal examen filosofie v.w.o. zijn in 2008 en 2009 vastgesteld als aangeven in de bijlage bij deze regeling.

Artikel 2. Bekendmaking

De regeling zal met de bijlagen in de Staatscourant worden gepubliceerd. Daarnaast is de regeling te raadplegen via www.cfi.nl van CFI, Agentschap van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De bijlagen kunnen ook worden geraadpleegd op Examenblad.nl (www.examenblad.nl).

Artikel 3. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van de

Staatscourant waarin deze regeling is bekendgemaakt.

Artikel 4. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Eindtermen centraal examen filosofie vwo 2008 en 2009.

De voorzitter van de CEVO,

drs. H.W. Laan

Bijlage

Eindtermen Rede en Religie

Examenonderwerp centraal examen filosofie vwo 2008 en 2009

I Rede en religie: een problematische verhouding

1. De kandidaat kan uitleggen welke problemen zich voordoen bij het definiëren van 'religie' en kan hierbij voorbeelden noemen.

2. De kandidaat kan 'religie' vanuit drie verschillende perspectieven analyseren, te weten: religie als overtuiging, religie als waarde en religie als praktijk. Bovendien kan hij elk perspectief evalueren en daarbij een eigen beargumenteerd standpunt innemen.

3. De kandidaat kan uitleggen dat het vastleggen van de betekenis van religie kan leiden tot etnocentrisme en essentialisme en dit toelichten aan de hand van voorbeelden.

4. De kandidaat kan de argumentatie reconstrueren waarom de rede vanuit een kentheoretisch perspectief lijnrecht tegenover religie lijkt te staan.

5. De kandidaat kan uitleggen waarom we wetenschappelijke kennis niet op een eenduidige manier als een bron van vooruitgang kunnen beschouwen.

6. De kandidaat kan uitleggen waarom de wetenschappelijke rede geen antwoorden kan geven op ervarings- en zingevingsvragen.

7. De kandidaat kan uitleggen waarom de thematiek van rede en (christelijke) religie voor elke historische periode afzonderlijk bekeken moet worden. Hij kan bovendien aangeven waarom de verhouding tussen beide pas sinds de verlichting een probleem werd en waarom deze verhouding in de klassieke islamitische wereld nauwelijks problematisch was.

II Kennis en geloof

8. De kandidaat kan uitleggen op welke bronnen en kenvermogens een beroep kan worden gedaan bij het verwerven van kennis.

9. De kandidaat kan de betrouwbaarheid van kenvermogens en bronnen kritisch evalueren.

10. De kandidaat kan aan de hand van concrete voorbeelden verschillende hermeneutische probleemstellingen en standpunten over het interpreteren van religieuze teksten weergeven.

11. De kandidaat kan de standpunten van Thomas van Aquino, Al Farabi en Averroës over de verhouding tussen de filosofische rede en religieus geloof weergeven en onderling vergelijken.

12. De kandidaat kan in deze standpunten (neo-) platoonse en aristotelische invloeden herkennen.

13. De kandidaat kan uitleggen waarin premoderne en hedendaagse debatten over de verhouding tussen wetenschappelijke kennis en religieuze dogma's verschillen.

14. De kandidaat kan uitleggen in welke zin fundamentalisme beschouwd kan worden als een modern verschijnsel.

15. De kandidaat kan het godsbewijs van Anselmus weergeven en in zijn religieuze en filosofische context plaatsen.

16. De kandidaat kan de opvatting van Kant over het karakter van metafysische uitspraken uitleggen en de daarbij gehanteerde vooronderstellingen expliciteren.

17. De kandidaat kan uitleggen waarom de logisch empiristen van de Wiener Kreis de kantiaanse legitimatie van religie afwijzen.

18. De kandidaat kan uitleggen waarom het logisch-empiristische verificatiecriterium te streng is voor het vaststellen van de betekenis van uitspraken.

19. De kandidaat kan uitleggen wat volgens Quine de twee dogma's van het empirisme zijn. Hij kan Quine's kritiek op die dogma's weergeven.

20. De kandidaat kan uitleggen welke gevolgen Quine's holistische opvatting van betekenis heeft voor de mogelijkheid van verificatie van afzonderlijke uitspraken.

21. De kandidaat kan aangeven onder welke omstandigheden religieuze uitspraken volgens Quine een praktische rol kunnen spelen.

22. De kandidaat kan aan de hand van hedendaagse voorbeelden een eigen standpunt innemen over de stelling dat religieuze uitspraken geen feitelijk, maar een moreel karakter hebben.

Eindtermen bij de teksten

Al Farabi

23. De kandidaat kan de hiërarchie van objecten van kennis die Al Farabi onderscheidt, weergeven.

24. De kandidaat kan uitleggen welke soorten uitspraken of redeneringen Al Farabi onderscheidt.

25. De kandidaat kan uitleggen hoe volgens Al Farabi onjuist inzicht kan ontstaan en tevens de drie oorzaken noemen die volgens hem daartoe leiden.

Anselmus

26. De kandidaat kan uitleggen waarom volgens Anselmus het hoogste wezen noodzakelijk in de werkelijkheid bestaat en waarom dit alleen voor het hoogste wezen geldt.

27. De kandidaat kan uitleggen waarom het volgens Anselmus toch mogelijk is dat de dwaas het bestaan van God ontkent.

Locke

28. De kandidaat kan aangeven welke bevoegdheden en plichten volgens Locke toekomen aan de burgerlijke overheid.

29. De kandidaat kan uitleggen dat volgens Locke de zorg voor de ziel, dus de verantwoordelijkheid voor het geloof, daartoe niet behoort en de drie redenen noemen die Locke daarvoor aanvoert.

30. De kandidaat kan een eigen beargumenteerd standpunt innemen met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de overheid voor het geloof.

Kant

31. De kandidaat kan uitleggen uit welke twee elementen de notie van het 'hoogste goed' bij Kant bestaat en waarom dit hoogste goed niet door de goede wil kan worden gerealiseerd.

32. De kandidaat kan de argumentatie reconstrueren van Kants redenering dat uit de notie van het hoogste goed geconcludeerd moet worden tot het postulaat van het bestaan van God. Hij kan ook aangeven welke vooronderstellingen Kant hierbij hanteert.

33. De kandidaat kan uitleggen dat de moraal volgens Kant is gebaseerd op plicht en niet de leer is om geluk te bereiken - zoals een aantal Griekse filosofische scholen dachten - maar de leer hoe wij waardig kunnen worden om de gelukzaligheid te bereiken.

III Geloof, Waarden, Ervaringen

34. De kandidaat kan aangeven hoe je vanuit ervarings- en zingevingsvragen religies kunt analyseren.

35. De kandidaat kan uitleggen wat de 'naturalistische drogreden' inhoudt en waarom die niet geldt voor de religie-als-waarde positie en de religie-als-ervaring positie.

36. De kandidaat kan aangeven op welke manieren modernisering tot een verlies van religieuze waarden kan leiden.

37. De kandidaat kan uitleggen hoe het religieus conservatisme het proces van modernisering beoordeelt en hij kan aan de hand van voorbeelden een drietal tegenwerpingen noemen tegen het standpunt van het religieus conservatisme.

38. De kandidaat kan uitleggen wat cultuurrelativisme inhoudt en waarom religies vatbaar zijn voor een cultuurrelativistische interpretatie. Ook kan hij een eigen standpunt formuleren ten aanzien van cultuurrelativisme.

39. De kandidaat kan uitleggen wat volgens de fenomenologie de 'onherleidbaarheid van menselijke ervaring' inhoudt en tevens aangeven welke kritiek de latere fenomenologie en Gadamer hebben geleverd op het sciëntisme.

40. De kandidaat kan het verschil tussen 'erklären' en 'verstehen' uitleggen.

41. De kandidaat kan een uitleg geven van het pragmatistische betekenisprincipe en van het logisch-empiristische verificatieprincipe. Hierbij kan hij uitleggen dat beide principes een vergelijkbare kritiek bieden op metafysische uitspraken.

42. De kandidaat kan uitleggen waarom volgens het pragmatistische betekeniscriterium morele uitspraken wel betekenisvol zijn.

43. De kandidaat kan drie kritiekpunten op de positie van James uitleggen.

44. De kandidaat kan uitleggen welke kritiek Taylor heeft op James. Hierbij kan hij aangeven hoe Taylor in zijn kritiek gebruik maakt van Wittgensteins privétaalargument.

45. De kandidaat kan beargumenteren waarom in het communitarisme van Taylor en bij het privétaal-argument van Wittgenstein geen rekening wordt gehouden met het ontstaan en de veranderlijkheid van religies.

IV Redelijke en religieuze praktijken

46. De kandidaat kan uitleggen wat praktijken zijn en daarvan voorbeelden geven.

47. De kandidaat kan uitleggen wat het normatieve aspect van praktijken is en daar voorbeelden van geven.

48. De kandidaat kan uitleggen waarom het moeilijk is een onderscheid te maken tussen religieuze en andere praktijken en voorbeelden geven waaruit dat blijkt.

49. De kandidaat kan uitleggen wat het verschil is tussen secularisering en secularisme.

50. De kandidaat kan uitleggen wat het verband is tussen modernisering en secularisering.

51. De kandidaat kan voorbeelden geven van verschijnselen in de Nederlandse samenleving die op secularisering wijzen.

52. De kandidaat kan uitleggen dat secularisering een specifiek Europees verschijnsel is en argumenten voor dat standpunt geven.

53. De kandidaat kan uitleggen dat er verschillende vormen van secularisme bestaan en wat in dit opzicht het verschil is tussen Nederland en Frankrijk.

54. De kandidaat kan aangeven tot welke moeilijkheden een strikte scheiding van publieke en privé-sfeer leidt en daar voorbeelden van geven.

55. De kandidaat kan uitleggen wat Habermas' criterium voor de plaats van religie in de openbaarheid is en kan tevens aangeven welke problemen de benadering van Habermas oplevert.

56. De kandidaat kan aangeven wat volgens Habermas de rol is van 'common sense' en waarom deze rol niet door de wetenschap kan worden vervuld.

57. De kandidaat kan uitleggen wat Taylor bedoelt met een 'overlappende consensus'.

58. De kandidaat kan uitleggen waarom patriottisme net zo intolerant kan zijn als gebondenheid aan een religie en dit standpunt met behulp van voorbeelden toelichten.

59. De kandidaat kan uitleggen waarom een beroep op de gemeenschap en haar tradities problematisch kan zijn en daar voorbeelden van geven.

60. De kandidaat kan uitleggen welke rol 'macht' speelt in het denken van Foucault en daarbij aangeven wat het verband is tussen macht, disciplinering en normalisering.

61. De kandidaat kan Foucaults kritiek op Weber uitleggen en zijn argumentatie reconstrueren.

62. De kandidaat kan uitleggen waarom volgens Foucault het onderscheid tussen privé-sfeer en publieke sfeer gezien kan worden als het resultaat van machtsuitoefening.

63. De kandidaat kan uitleggen dat volgens Foucault elke moderne politieke rationaliteit (liberaal, nazistisch, communistisch etc.) berust op een generalisering van pastorale machtstechnieken en (mogelijk) op het terugdringen van de kerk uit de nieuwe sferen van machtsuitoefening.

64. De kandidaat kan uitleggen dat constitutionalisme niet per se gebonden hoeft te zijn aan liberale uitgangspunten en daar voorbeelden van geven.

65. De kandidaat kan uitleggen waarom het idee van tolerantie juist in Europa is opgekomen.

66. De kandidaat kan aangeven welke argumenten een rol kunnen spelen bij de rechtvaardiging van religieus geweld en zelf een beargumenteerd standpunt innemen ten aanzien van religieus geweld.

Eindtermen bij de teksten

Durkheim

67. De kandidaat kan uitleggen welke twee functies van religie Durkheim onderscheidt en waarom een van die functies in conflict komt met de wetenschap.

68. De kandidaat kan uitleggen waarom de wetenschap de tweede functie van religie niet kan overnemen en waarom die functie gevaar loopt in de huidige samenleving.

Taylor

69. De kandidaat kan uitleggen welke drie vormen van politieke ethiek door Taylor worden onderscheiden en aangeven welke moeilijkheden zij met zich meebrengen.

70. De kandidaat kan uitleggen waarin het 'overlappende consensus' model zich onderscheidt van de twee andere en waarom dit model volgens Taylor meer kans van slagen heeft als het erom gaat onderlinge tolerantie en gehoorzaamheid aan legitieme autoriteit tot stand te brengen.

Foucault

71. De kandidaat kan uitleggen waarom vormen van verzet volgens Foucault van kardinaal belang zijn bij de analyse van macht en voorbeelden van dergelijke vormen van verzet geven.

72. De kandidaat kan uitleggen welke drie vormen van machtsuitoefening Foucault onderscheidt.

73. De kandidaat kan uitleggen wat Foucault verstaat onder 'pastorale macht' en waarom deze volgens hem invloed heeft gehad op de machtsuitoefening in de moderne staat.

74. De kandidaat kan uitleggen welke veranderingen pastorale macht heeft ondergaan in de moderne staat en daar voorbeelden van geven. Tevens kan hij aangeven welke visie op secularisatie (of zelfs secularisme) dit oplevert.

Pijl omhoog