Eindtermen centraal examen filosofie havo 2007 en 2008

kenmerk: CEVO-06.1056
datum: 8 juni 2006
gepubliceerd: Staatscourant 2006, nr. 116, maandag 19 juni 2006; CFI-Online juni 2006

Het examenonderwerp voor filosofie havo voor de jaren 2007 en 2008 is Utopie. In de bijlage bij deze regeling (laatste hoofdstuk) zijn de eindtermen opgenomen.

Deze regeling treedt op 21 juni 2006 in werking.


Besluit

Bestemd voor:

- scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo);

- instituten voor beroepsonderwijs en educatie die voorbereiden op het examen havo (vavo);

- de staatsexamencommissie.

De voorzitter van de centrale examencommissie vaststelling opgaven

Gelet op: De Regeling examenprogramma's profielen vwo/havo filosofie

Besluit

Artikel 1. Eindtermen centraal examen filosofie havo 2007 en 2008

De eindtermen bij het onderwerp voor het centraal examen havo 2007 en 2008 'Utopie' zijn in de bijlage bij deze regeling opgenomen.

Artikel 2. Bekendmaking

De regeling zal met de bijlage in de Staatscourant worden gepubliceerd. Daarnaast is de regeling te raadplegen via www.cfi.nl van CFI, Agentschap van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De bijlage kan ook geraadpleegd worden op Het Examenblad (www.eindexamen.nl).

Artikel 3. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van het Staatscourant waarin deze regeling is bekendgemaakt.

Artikel 4. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Eindtermen centraal examen filosofie havo 2007 en 2008

De voorzitter van de CEVO,

drs. H.W. Laan

Toelichting

In de 'Regeling centraal examen 2006' (zie: Relatie tot eerdere mededelingen) wordt in artikel 6 'examenonderwerpen filosofie' onder lid 2 aangegeven: "Voor het havo is in de examenjaren 2007 en 2008 domein D, sociale filosofie het Domein voor het centraal examen. Het onderwerp van het centraal examen is Utopie."

De bijbehorende Eindtermen worden in de bijlage bij deze regeling 'Eindtermen centraal examen filosofie havo 2007 en 2008' bekend gemaakt.

De in de bijlagen opgenomen eindtermen zijn opgesteld door de Begeleidingscommissie Filosofie in het Voortgezet Onderwijs. Nadere informatie over het examenvak filosofie alsmede deze eindtermen kan worden verkregen bij:

Secretariaat en landelijk informatiepunt Bcfvo

drs. D.H. Oosthoek

Nederhorst 5

3085 VT Rotterdam

tel: 010-4818927

email: bcfvo@xs4all.nl, website: www.bcfvo.nl

Bijlage eindtermen Utopie

Algemeen

1. De kandidaat kan verschillende utopische opvattingen analyseren en met elkaar vergelijken, waarbij vooronderstellingen en implicaties worden verhelderd.

2. De kandidaat kan verschillende opvattingen over de menselijke natuur, het geluk en de maakbaarheid van de samenleving analyseren en vergelijken. Hij kan daarbij vooronderstellingen en implicaties verhelderen.

3. De kandidaat kan de volgende begrippenparen en begrippen uitleggen en in een filosofische context toepassen: utopie en dystopie, orde en vrijheid, wetenschap en techniek, staat en individu, arbeid, huwelijk, hoop, misdaad, rijkdom, macht, verzorgingsstaat.

4. De kandidaat kan een beargumenteerd standpunt innemen over diverse utopische opvattingen, waarbij verschillende visies op de menselijke natuur, het geluk en de maakbaarheid van de samenleving worden vergeleken. Hierbij kan hij relevante centrale begrippen uitleggen en toepassen en tevens vooronderstellingen en implicaties betrekken.

1 Een familieverhaal

5. De kandidaat kan uitleggen waarom 'maakbaarheid', 'menselijke natuur' en 'geluk' zowel criteria zijn om vast te stellen of er sprake is van een utopie als kenmerken (in de zin van familiegelijkenissen van Wittgenstein) om utopieën te vergelijken en te beoordelen.

6. De kandidaat kan uitleggen dat een definitie van het begrip 'utopie' moeilijk te geven is. Daarbij kan hij met behulp van Wittgensteins metafoor van familiegelijkenissen kritiek op het gebruiken van wezensdefinities uitleggen. Daarnaast kan de kandidaat de rol van taal in een utopie weergeven, bijvoorbeeld aan de hand van Ik Bubanik van Harry Mulisch.

2 Geschiedenis van de utopie

7. De kandidaat kan de genealogie van de utopieënfamilie weergeven en uitleggen waarom een historisch beginpunt van de utopie moeilijk aan te geven is.

8. De kandidaat kan de essentie van Blochs opvatting over 'het principe hoop' weergeven en illustreren met voorbeelden uit onder andere religieuze praktijken.

9. De kandidaat kan beargumenteren in welke zin Grieks filosofische en joods-christelijke bronnen zijn te beschouwen als utopische teksten.

10. De kandidaat kan uitleggen in welke opzichten 'Amerika' kan worden beschouwd als voorbeeld van een utopie of als voorbeeld van een dystopie.

11. De kandidaat kan weergeven welke invloed de Industriële Revolutie heeft gehad op het utopisch denken.

12. De kandidaat kan uitleggen waarom in de jaren '60 het utopisch denken een nieuw elan krijgt. Ook kan hij voorbeelden geven van hoe dit zich heeft gemanifesteerd.

3 De sociale utopie

13. De kandidaat kan uitleggen welke opvattingen van More, Marx en Orwell ten grondslag liggen aan de mogelijkheid of onmogelijkheid van een sociale utopie. Hij kan hierbij weergeven hoe de auteurs in dit verband denken over 'de natuur van de mens', over 'menselijk geluk' en over 'de maakbaarheid van de samenleving'. Hij kan daarbij ook aangeven in welke opzichten deze opvattingen verschillen en overeenkomen.

14. De kandidaat kan aan de hand van een casus beschrijven wat in een sociale utopie wordt verstaan onder 'vrijheid' en 'orde'. Ook kan hij weergeven hoe overheden in verschillende sociale utopieën omgaan met 'burgerrechten'. Hij kan tevens beargumenteren in hoeverre de grenzen van de rechtsstaat in de huidige maatschappij verschuiven.

15. De kandidaat kan beschrijven wat de aantrekkingskracht was van de communistische utopie en de kritiek hierop weergeven.

16. De kandidaat kan weergeven op welke gebieden de hedendaagse maatschappij trekken vertoont van een gerealiseerde utopie en/of van een gerealiseerde dystopie, met name ten aanzien van arbeid, huwelijk en misdaad.

17. De kandidaat kan een schets geven van een sociale utopie, waarbij hij de volgende concepten betrekt: vrijheid en orde, maakbaarheid van de samenleving, menselijk geluk en natuur van de mens.

4 De technische utopie

18. De kandidaat kan uitleggen dat de sociale utopie beschouwd kan worden als een product van de mens als 'politiek wezen' ('politikon zóion') en de technische utopie als een product van de mens als 'ambachtsman' ('homo faber').

19. De kandidaat kan de opvatting uitleggen die stelt dat de natuur van de mens wordt bepaald door zijn fysieke behoeften of tekort en dat dit tekort gecompenseerd kan worden door het gebruik van wetenschap en techniek. Hij kan daarbij beredeneren in hoeverre technische verworvenheden noodzakelijk en voldoende zijn om in een utopische maatschappij gelukkig te zijn. Tevens kan hij, zoals More dat doet, onderscheid maken tussen echte en onechte behoeften.

20. De kandidaat kan weergeven welke technische verworvenheden in de utopische maatschappij van Bacon vooral in dienst staan van het vermeerderen van de gezondheid van de mens, de rijkdom van de mens, en de macht van de mens over de natuur. Hij kan bovendien Bacons organisatie van wetenschap en techniek beschrijven.

21. De kandidaat kan uitleggen dat in de utopische maatschappij van Bacon de natuur niet uitgebuit, maar gehoorzaamd wordt. Hij kan beargumenteren in hoeverre dit wel het geval is in de hedendaagse maatschappij.

22. De kandidaat kan aan de hand van concrete voorbeelden uitleggen in hoeverre de hedendaagse westerse maatschappij verworvenheden in de geest van Bacon kent op de gebieden van gezondheid, rijkdom en macht over de natuur.

23. De kandidaat kan overeenkomsten en verschillen vaststellen tussen enerzijds de hedendaagse verzorgingsstaat en anderzijds de sociale utopie en de technische utopie.

24. De kandidaat kan beargumenteren hoe een utopie verworden kan tot een dystopie. Daarbij kan hij aspecten die bij deze ontwikkeling van belang zijn, betrekken op de hedendaagse samenleving.

25. De kandidaat kan reflecteren op het gedachte-experiment van Nozick. Ook kan hij een standpunt innemen over de vraag in hoeverre dit gedachte-experiment een utopie of een dystopie is.

5 Slotbeschouwing

26. De kandidaat kan uitleggen dat het echec van communistische experimenten de sociale utopie in diskrediet heeft gebracht.

27. De kandidaat kan beargumenteren in welke zin er een spanningsveld bestaat tussen de opvatting dat mens en samenleving maakbaar zijn en de opvatting dat de menselijke natuur onveranderlijk is.

28. De kandidaat kan verbanden weergeven tussen opvattingen over de natuur van de mens en sociale en/of technische utopieën.

29. De kandidaat kan uitleggen dat het realiseren van utopieën die het menselijk geluk beogen, dit menselijk geluk teniet kunnen doen.

30. De kandidaat kan de kritische functie van een utopie weergeven en herkennen in enkele voorbeelden.

31. De kandidaat kan de opvatting uitleggen waarin wordt beweerd dat utopieën inspirerende uitdrukkingen zijn van hoop en verlangen om bevrijd te worden van menselijk tekort of onvrede.

32. De kandidaat kan overeenkomsten en verschillen aangeven tussen scenario's en utopieën.

33. De kandidaat kan, rekening houdend met sociale of technische vragen die in de hedendaagse maatschappij leven, voor zichzelf zowel een utopie als een scenario ontwerpen.

34. De kandidaat kan een standpunt innemen over het belang van utopisch denken en utopisch verbeelden voor de hedendaagse maatschappij. Hij kan daarbij beargumenteren wat de waarde van een utopie in de hedendaagse maatschappij kan zijn en daarbij vooronderstellingen en implicaties verhelderen.

Primaire teksten

35. De kandidaat kan voor elke primaire tekst uitleggen in welke opzichten deze kan kan worden beschouwd als utopisch of dystopisch..

Plato

36. De kandidaat kan Plato's opvatting weergeven over de vraag in welke behoeften van de mens een maatschappij moet voorzien, welke taken in een rechtvaardige samenleving uitgevoerd moeten worden en over welke eigenschappen mensen in deze samenleving moeten beschikken.

37. De kandidaat kan verbanden weergeven tussen Plato's antropologische noties en zijn opvattingen over de staat (en het familieleven).

Thomas More

38. De kandidaat kan weergeven welke afspraken op het gebied van de 'ethica', 'bevolkingspolitiek' en 'genietingen van het lichaam' in Utopia het menselijk geluk vergroten.

39. De kandidaat kan uitleggen welke opvatting van More over het geluk van de mens ten grondslag ligt aan zijn sociale utopie en hoe zijn opvatting over deugd en genot hiermee samenhangt.

Francis Bacon

40. De kandidaat kan weergeven welke 'voorbereidingen en werktuigen' en welke 'werkzaamheden en taken' in Het nieuwe Atlantis het menselijk geluk vergroten. Hij kan daarbij voorbeelden herkennen in de hedendaagse samenleving.

41. De kandidaat kan uitleggen in welke opzichten Het nieuwe Atlantis gebaseerd is op Bacons visie op de menselijke natuur (geheugen, rede, en verbeelding).

42. De kandidaat kan aan de hand van 'voorschriften en plechtige handelingen' uitleggen dat het dienstbaar zijn van de natuur aan de mens uiteindelijk een religieus fundament heeft.

Karl Marx

43. De kandidaat kan uitleggen op welke wijze de productieverhoudingen en eigendomsverhoudingen in de moderne burgerlijke maatschappij tot stand zijn gekomen.

44. De kandidaat kan uitleggen welke conflicten in de moderne burgerlijke maatschappij volgens Marx zullen leiden tot een crisis, welke rol de arbeiders daarbij spelen en tot welke maatschappijvorm dat leidt.

45. De kandidaat kan aangeven in welk opzicht de communistische utopie volgens Marx een noodzakelijke toekomstverwachting is.

George Orwell

46. De kandidaat kan uitleggen waarom in Oceanië de vrijheid van de mens wordt bepaald door Grote Broer, welke vormen van tucht worden gebruikt en welke rol Nieuwspraak daarbij speelt.

47. De kandidaat kan aan de hand van het optreden van O'Brien tegenover Winston uitleggen hoe in Oceanië het heden, verleden en de toekomst van de mens worden gemanipuleerd.

Aldous Huxley

48. De kandidaat kan uitleggen op welke opvatting van geluk, arbeid en voortplanting de nieuwe wereld gefundeerd is.

49. De kandidaat kan uitleggen in welke opzichten vrijheid in de Nieuwe Wereld is opgeofferd voor stabiliteit en welke rol 'soma' daarbij speelt.

Fukuyama

50. De kandidaat kan uitleggen op welke wijze 'de utopische geladenheid' van Fukuyama's stellingname tot uiting komt.

51. De kandidaat kan uitleggen in hoeverre Fukuyama's betoog aristotelisch genoemd kan worden.

52. De kandidaat kan weergeven welke mogelijke ontwikkelingen van biotechnologie Fukuyama gevaarlijk vindt. Hij kan de hierbij door Fukuyama gebruikte argumentatie reconstrueren en daarover zelf een standpunt innemen.

Pijl omhoog