Thema's centraal examen klassieke taal en letterkunde 2005

kenmerk: VO/BOB-2003/10326
datum: 13 mei 2003
gepubliceerd: Gele katern 2003, nr. 12, p. 18 t/m 31

In deze regeling worden de thema's vastgesteld voor het centraal examen klassieke taal en letterkunde. De vaststelling geldt voor het examenjaar 2005.


Besluit

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

Gelet op artikel 7 van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. in samenhang met de examenprogramma's klassieke taal en letterkunde;

Artikel 1 Thema's centraal examen

  • 1. 
    De thema's voor het centraal examen klassieke taal en letterkunde zijn in 2005:
  • a. 
    Griekse taal en letterkunde : historisch proza

Kernauteur : Herodotus

  • b. 
    Latijnse taal en letterkunde : epiek

Kernauteur : Ovidius.

  • 2. 
    Het lectuurpensum en de daarop afgestemde leerstof worden vastgesteld als

aangegeven in de als bijlagen bij deze regeling gevoegde syllabi.

Artikel 2 Bekendmaking

Deze regeling en de bijlagen worden in Uitleg OCenW-Regelingen geplaatst. Van deze plaatsing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 3 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen waarin deze regeling is bekendgemaakt.

Artikel 4 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als : thema's centraal examen klassieke taal en letterkunde 2005.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

Maria J.A. van der Hoeven

Bijlage 1 syllabus ce grieks 2005

Kernauteur: Herodotus

Genre: historisch proza

Titel: Diplomatiek en intermenselijk verkeer in de Griekse wereld

Aanbevolen editie: C. Hude, OCT, Oxford 19273

A Tekstreflectie

1 Thematiek

In de aanhef van zijn werk vertelt Herodotus dat het doel van zijn werk, naast het vermelden van grootse daden van Grieken en niet-Grieken, zal zijn het beschrijven van de oorzaak waardoor zij met elkaar in oorlog raakten.

Het pensum laat zien hoe verschillen in aard en gevoel van eigenwaarde van de volkeren en stadstaten die bij dit conflict betrokken zijn aan het licht komen bij, en hun invloed hebben op, de contacten tussen de verschillende partijen. Niet alleen in officiële contacten spelen aard en gevoel van eigenwaarde een rol. Ook bij persoonlijke contacten blijken deze van belang te zijn.

Het pensum biedt tevens de mogelijkheid in te gaan op de door de partijen of personen in de diverse situaties gehanteerde argumenten.

2 Pensum

(De met een asterisk gemarkeerde passages worden in vertaling gelezen)

A Teksten uit Herodotus Prooimion en Vrouwenroof

1.0*; 1.1-5*

Na het prooimion waarin Herodotus het karakter en het onderwerp van zijn werk uiteenzet, vertelt hij eerst, voordat hij zijn eigenlijke verhaal begint, een versie over de oorsprong van de vijandschap tussen Grieken en niet-Grieken die ontleend is aan Perzische en Phoenicische bronnen. Deze bronnen vertellen hoe Grieken en niet-Grieken in het verre verleden over en weer elkaars vrouwen roven.

Verantwoording

De roofverhalen laten zien hoe Grieken én niet-Grieken beiden vanuit dezelfde motieven tot dezelfde daden kunnen komen. Ze laten ook zien hoe belangrijk het is vast te stellen wat de bron van een verhaal is.

Darius en de Scythen

4.118-128*, 130-136*

De Scythen onderhandelen met hun buren om een gezamenlijk front te maken tegen de dreiging van de Perzen. Slechts enkele volkeren willen hen steunen, de andere geven de Scythen de schuld van de aanval van de Perzen. Daarop proberen de Scythen, in twee groepen, de Perzen zo ver mogelijk van huis te lokken zonder een slag aan te gaan.

De Perzen sturen, omdat ze niets begrijpen van de tactiek van de Scythen een gezant naar hun koning Idanthyrsos en stellen hem voor aarde en water te geven (ten teken van overgave) of de strijd aan te gaan. De koning legt de Perzen uit waarom hij voortdurend rondtrekt en geeft te kennen zich niet te willen onderwerpen aan de Perzen; hij biedt in plaats van aarde en water andere, nogal onduidelijke geschenken aan. De Perzen beraden zich over de betekenis van de geschenken en beseffen dan dat de Scythen een spelletje met hen spelen. Ze trekken zich stiekem terug.

Verantwoording

De confrontatie van de Perzen met de Scythen laat zien hoe verschillende volken ieder op hun eigen manier reageren, vaak tot verbazing en verwarring van het andere volk.

Perzisch optreden in Paionië en Macedonië

5.11*, 12-13, 14-15*

Darius heeft in Sardes een merkwaardige ontmoeting met twee Paioniërs, Pigres en Mastyes. Ze zoeken contact met Darius, omdat ze de macht over de Paioniërs willen krijgen, maar hun poging heeft een ongewild resultaat. Darius geeft zijn generaal Megabazos opdracht de Paioniërs te deporteren en in te lijven in het Perzische rijk. Omdat zij de Perzische aanval verkeerd beoordelen, worden ze gemakkelijk verslagen; een deel van hen wordt gedeporteerd.

5.17*, 18-20, 21*

Na de onderwerping van de Paioniërs stuurt Megabazos gezanten naar de Macedonische koning Amyntas om overgave aan de Perzen te eisen. De Perzische gezanten krijgen direct hun zin, maar bij de afsluitende maaltijd overschrijden ze alle fatsoensnormen. Alexander, de zoon van de koning, treedt dan hard op. Als de Perzen later verhaal komen halen, wordt de zaak door Alexander afgekocht.

Verantwoording

Het verhaal van Pigres en Mastyes laat zien hoe (grote) historische gebeurtenissen van toevallige ontmoetingen kunnen afhangen. De plannen van het tweetal, ingegeven door tirannieke aspiraties, krijgen een voor de Paioniërs onaangenaam vervolg.

Het verhaal van de Perzische gezanten bij Amyntas laat zien dat fatsoensnormen altijd gerespecteerd dienen te worden, ook door een overwinnende partij, en dat overtreding daarvan hard gestraft kan worden.

Aristagoras in Sparta en Athene

5.36-38*, 49-51

Aristagoras, de tiran van Milete, besluit een opstand te ontketenen tegen de Perzische overheersers. Hij verwerft steun in Klein-Azië en gaat dan naar Sparta om een breder bondgenootschap tegen de Perzen tot stand te brengen.

Tijdens de officiële audiëntie bij koning Kleomenes betoogt Aristagoras dat de Spartanen en de Ioniërs verwant zijn en dat de Perzen militair niets voorstellen. Verder spiegelt hij de Spartanen voor dat er in de Perzische hoofdstad Sousa veel rijkdom te vinden is. Als Kleomenes hem dan vraagt waar Sousa ligt, begaat Aristagoras een tactische blunder, waarna Kleomenes de audiëntie beëindigt.

Aristagoras geeft niet op en begeeft zich als smekeling naar het paleis van Kleomenes. In een privé-onderhoud probeert hij alsnog Spartaanse steun te verwerven, dit maal door Kleomenes geld aan te bieden. Optreden van Kleomenes' aanwezige dochter voorkomt succes.

5.96*, 97

Vanuit Sparta gaat Aristagoras naar Athene, waar op dat moment een sterk anti-Perzische stemming heerst. In zijn toespraak tot de volksvergadering komt Aristagoras weer met zijn verhaal over de grote Perzische rijkdom en de militaire zwakte; hij voegt eraan toe dat Milete als kolonie van Athene min of meer recht heeft op hulp. Hij krijgt zijn zin. Herodotus meldt dat het blijkbaar veel gemakkelijker was een grote massa te overtuigen dan één persoon. Hij meldt verder dat de Atheense steun aan de Ionische opstand voor Grieken en niet-Grieken het begin van alle ellende is geweest.

Verantwoording

De twee verhalen rond Aristagoras laten zien dat voor het welslagen van een verzoek de situatie waarin een gesprek plaatsvindt belangrijker kan zijn dan de gebruikte argumenten.

De Grieken zoeken steun voor hun coalitie tegen de Perzen in Argos en op Sicilië

7.145*, 148-152*

De dreigende opmars van Xerxes zorgt ervoor dat de Grieken hun onderlinge conflicten bijleggen en kiezen voor een gezamenlijk optreden. De Grieken sturen spionnen naar Sardes (waar Xerxes op dat moment is) en gezanten naar Argos, Sicilië, Kerkyra (Corfu) en Kreta.

Over de positie van Argos in de Perzische oorlog bestaan drie varianten. De Argeeërs zelf zeggen dat ze aarzelen vanwege een orakel in een nog slepend conflict met de Spartanen; ze besluiten daarom niet mee te doen. Een andere versie zegt dat de onpartijdigheid van Argos het gevolg is van een aanlokkelijk voorstel van Xerxes. Welke versie de juiste is, kan Herodotus niet zeggen, maar hij geeft wel zijn overwegingen. Hij hecht in ieder geval geen geloof aan de derde versie, waarin de Argeeërs worden aangewezen als degenen die Xerxes opgeroepen hebben tegen de Grieken op te trekken.

7.157-162

De Grieken proberen op Sicilië de steun te krijgen van Gelon, de tiran van Syracuse. Ze doen een beroep op Griekse saamhorigheid in tijden van nood en waarschuwen dat de Perzen nog verder westwaarts zullen trekken. Hoewel Gelon niet onder de indruk is, stelt hij toch schepen en strijders ter beschikking, maar in ruil daarvoor eist hij het leiderschap over de Grieken op. De Spartaanse deelnemer aan het gezantschap reageert woedend: de Spartanen zullen de leiding hebben en niemand anders.

Gelon bindt iets in en stelt als uiterste bod voor dat de Spartanen de leiding over het landleger zullen hebben en hijzelf de leiding over de vloot of vice versa. De Atheense vertegenwoordiger grijpt dan in: met een beroep op de geschiedenis eisen de Atheners het commando ter zee op. Ze zijn eventueel bereid een Spartaans commando te accepteren, maar zeker geen commando van Syracuse. Gelon reageert boos. Bij zo weinig inschikkelijkheid kunnen ze beter maar meteen vertrekken. Hulp kunnen ze vergeten.

Verantwoording

De beide passages laten zien hoe ook in tijden van gevaar, waar het op saamhorigheid aankomt, blijkbaar toch het gevoel van trots en eigenwaarde een verstandige beslissing in de weg staat. Ze laten ook zien hoe argumenten ondergeschikt worden gemaakt aan gevoelens.

Mardonius biedt de Atheners een kans zich over te geven

8.133*, 136*, 140-144

Na de verpletterende nederlaag bij Salamis is Xerxes teruggekeerd naar Perzië. Zijn generaal Mardonius is in Griekenland achtergebleven en probeert de Grieken alsnog te onderwerpen. Hij stuurt Alexander, de zoon van de Macedonische koning Amyntas, naar Athene, in de veronderstelling de overige Grieken te kunnen onderwerpen als Athene eenmaal bondgenoot is geworden van de Perzen. Namens Mardonius biedt Alexander de Atheners aan dat Xerxes alles zal vergeven en vergeten, als ze zich nu overgeven. Hij herinnert hen er bovendien aan dat ze geen schijn van kans hebben tegen de Perzische overmacht.

Bij de rede van Alexander zijn ook Spartanen aanwezig, die lucht hadden gekregen van het bezoek van Alexander. Uit angst dat de Atheners door de knieën gaan, dringen zij erop aan dat de Atheners volhouden; door hun schuld is de oorlog tenslotte begonnen. Ze bieden enige steun aan in de vorm van een veilig onderdak voor vrouwen en kinderen. Hun slotopmerking is een emotionele waarschuwing: barbaren kun je niet vertrouwen.

De Atheners reageren eerst op Alexander. De Perzen hoeven niet op de medewerking van Athene te rekenen, omdat de vrijheid te veel waard is. Alexander krijgt het bevel te vertrekken. In hun reactie op het Spartaanse pleidooi wijzen de Atheners erop dat de Spartanen beter zouden moeten weten. Ze zullen zich echt niet overgeven aan de Perzen. Het vriendelijke aanbod van de Spartanen wordt afgewezen; ze hebben liever militaire steun.

Verantwoording

De gesprekken tussen Alexander, de Atheners en de Spartanen laten zien hoe hier argumenten wel degelijk beoordeeld worden. Toch spelen ook emoties een rol in de definitieve besluitvorming.

Een laatste poging van Mardonius

9.1-5*, 6-9, 10-14*

Na het teleurstellende bezoek van Alexander aan Athene begint Mardonius een tweede aanval op Athene. De Thebanen, die aan de kant van de Perzen staan, stellen een andere aanvalstechniek voor: omkopen van machtige Grieken in de steden om zo een vijfde colonne te mobiliseren. Mardonius laat zich niet van zijn plan afbrengen en trekt naar het inmiddels verlaten Athene. Hij stuurt een gezant naar de Atheners op Salamis met dezelfde boodschap als Alexander.

Herodotus maakt dan een sprong in de tijd terug om te verklaren waarom de Atheners op Salamis zitten. Zij hoopten aanvankelijk dat de Spartanen zouden ingaan op het verzoek tot militaire steun. Als deze uitblijft en Mardonius inmiddels tot in Boeotië is gevorderd, steken de Atheners over naar Salamis. Ze sturen gezanten naar Sparta, maar de Spartanen stellen hun antwoord aan de gezanten uit en bouwen ondertussen verder aan een verdedigingsmuur op de Isthmos.

Uiteindelijk sturen de Spartanen wel hulp, wanneer Chileos hen waarschuwt dat ondanks de muur een bondgenootschap van Atheners en Perzen zeer zeker tot de ondergang van de Peloponnesos zal leiden. Zonder de gezanten te informeren sturen de Spartanen een afdeling van 5000 Spartanen onder leiding van Pausanias op pad. De gezanten vertrekken de volgende dag met de boodschap dat ze een verbond zullen aangaan met de Perzen. Dan onthullen de Spartanen het sturen van de soldaten en geven ze openheid van zaken.

De Argeeërs informeren Mardonius over de komst van de Spartaanse troepen. Mardonius, die nog steeds hoopt op een verbond met de Atheners, verwoest Athene, maar laat de rest van Attica ongemoeid. Hij onderneemt nog één veldtocht naar het westen en verwoest de stad Megara.

Verantwoording

Deze passage laat zien hoe de woorden van een wijze oude man bepalend kunnen zijn voor het optreden van een stad. Aanvankelijk weigeren de Spartanen iedere reactie op het Atheense verzoek. De waarschuwing van Chileos doet hen beseffen dat hun eigen handelwijze misschien niet de juiste is.

De goedheid van Pausanias

9.78-79

Na de Perzische nederlaag bij Plataeae krijgt Pausanias bezoek van een van de bondgenoten, Lampon uit Aegina. Deze denkt dat hij een goed advies heeft voor Pausanias: Mardonius' lijk aan het kruis te slaan in ruil voor de schending van Leonidas' lijk bij Thermopylae. Uit Pausanias' reactie blijkt dat Lampon de situatie volkomen verkeerd inschat. Pausanias wijst het voorstel van de hand.

Verantwoording

De korte ontmoeting tussen Lampon en Pausanias laat zien hoe belangrijk het is een situatie goed in te schatten. Hier begaat Lampon de fout te denken dat ook Pausanias handelt volgens de barbaarse gewoonte om het lijk van een overwonnen tegenstander te schenden.

'De verdanste bruid'

6.126, 127*, 128-130, 131*

In een uitweiding na de slag bij Marathon staat Herodotus stil bij het geslacht van de Alkmeoniden, die van verraad worden beschuldigd. Herodotus gelooft niets van dit verraad en laat zien dat de Alkmeoniden een oud en eerbiedwaardig geslacht zijn. De stamvader Alkmeon dankt zijn rijkdom aan de Lydische koning Croesus. Zijn zoon Megakles is beroemd geworden door het volgende verhaal.

Kleisthenes, de tiran van Sikyon, wil voor zijn dochter de beste man. Hij nodigt daarom alle succesvolle Griekse vrijgezellen uit en wil hen gedurende een jaar testen op geschiktheid. In het jaar dat ze bij hem zijn, vraagt Kleisthenes naar hun afkomst en test hun fysieke, maar vooral hun sociale vaardigheden. De Athener Hippokleides blijkt de grote favoriet.

Op de dag van bekendmaking van de bruidegom en het huwelijk organiseert Kleisthenes een groot feestmaal, waarbij Hippokleides begint te dansen. Kleisthenes grijpt in als Hippokleides naar zijn idee veel te ver gaat. Hippokleides wordt als kandidaat aan de kant gezet, waarna Kleisthenes bekendmaakt wie de gelukkige is: Megakles uit Athene. De overige kandidaten worden rijkelijk beloond voor de moeite. Herodotus besluit deze uitweiding met het noemen van enkele nakomelingen van Megakles.

Verantwoording

Dit verhaal laat zien dat tact en beoordelingsvermogen ook in de privé-sfeer van groot belang zijn.

B Teksten ter vergelijking

Homerus, Ilias 9.220-430: Het gezantschap naar Achilles

Na een ruzie met de opperbevelhebber Agamemnon heeft Achilles zich teruggetrokken uit de strijd. De Grieken moeten het maar zonder hem doen. Hij klaagt zijn nood bij zijn moeder Thetis, die Zeus smeekt haar zoon te helpen. Zeus stemt ermee in de Trojanen te steunen totdat Agamemnon inziet dat hij fout zit. Als de Grieken de eerste zware verliezen lijden, besluiten ze een afvaardiging naar Achilles te sturen om hem te bewegen terug te keren in de strijd. Hier opgenomen is de rede van Odysseus en het antwoord van Achilles.

Verantwoording

Dit verhaal laat zien hoe het gevoel van eer en eigenwaarde van Achilles sterker is dan de argumenten waarmee Odysseus komt aanzetten. Dat hij met zijn houding de Grieken nog verder in de problemen brengt, lijkt hem op dat moment niet te deren.

De teksten ter vergelijking dienen om de thematiek of de betreffende passage van Herodotus te verdiepen, toe te lichten, reliëf te geven enz.

Thucydides, 5.84-116: De dialoog tussen Athene en Melos

Tijdens de Peloponnesische Oorlog plegen de Atheners een roofoverval op het neutrale eiland Melos. Aanvankelijk proberen de Atheners de Meliërs met argumenten te overtuigen dat het beter is ingelijft te worden bij het Atheense imperium. Ondertussen ligt een Atheense oorlogsvloot gereed ...

Verantwoording

Deze passage laat de Atheners van hun slechtste zijde zien. De onderhandelingen lijken slechts voor de schijn gevoerd te worden, terwijl geweld de doorslag geeft. Als het antwoord van de Meliërs de Atheners niet zint, nemen ze het eiland met geweld in en slachten de gehele mannelijke bevolking af, de grootste oorlogsmisdaad uit de Atheense geschiedenis.

Aristophanes, Lysistrata 1072-1189: Onderhandelingen met Lysistrata

De vrouwen van Athene en Sparta protesteren tegen de voortdurende oorlog die hun mannen uitvechten. Om hun eisen kracht bij te zetten beginnen ze een seksstaking en bezetten ze de akropolis van Athene. Dit heeft de nodige frustratie en opwinding bij de mannen tot gevolg en als zij de hun opgelegde onthouding niet meer aankunnen, sturen de Spartanen en de Atheners een afvaardiging naar de leider van de vrouwen, Lysistrata. Omdat de nood bij de mannen erg hoog is, stemmen ze gemakkelijk in met de eisen van Lysistrata.

Verantwoording

In deze passage wordt het thema onderhandelen vanuit komisch perspectief belicht. Door hun seksuele behoeften gedreven zijn de mannen, bij wie blijkens de tekst ook fysiek de frustratie zichtbaar is, maar al te bereid de eisen in te willigen. Dit is een humoristisch voorbeeld dat laat zien hoeveel invloed de externe omstandigheden hebben op het gedrag van mensen.

Vaardigheden

De kandidaat kan begripsvragen over de thematiek en over teksten uit het pensum beantwoorden en zijn antwoorden desgevraagd onderbouwen met citaten uit de voorliggende tekst(en) (eindterm 5+6)

De kandidaat kan in een Griekse tekst uit het pensum elementen aanwijzen die de opbouw en de samenhang van die tekst zichtbaar maken (eindterm 2)

De kandidaat kan een passage van een voorliggende tekst uit het pensum parafraseren en daarmee de essentie ervan weergeven (eindterm 7+8)

De kandidaat kan inhoudelijke verschillen en overeenkomsten aangeven en toelichten tussen een Griekse tekst uit het pensum en een vertaling hiervan (eindterm 3)

De kandidaat kan kenmerkende verschillen, die samenhangen met verschillen tussen het Griekse en het Nederlandse taalsysteem, aangeven en toelichten aan de hand van een Griekse tekst uit het pensum en een vertaling hiervan. De vragen kunnen grammaticale en stilistische aspecten betreffen, mits in dienst van het tekstbegrip (eindterm 4)

De kandidaat kan vertaalde Griekse of Latijnse teksten die inhoudelijk verwant zijn met of aansluiting hebben bij de thematiek van het pensum vergelijken met teksten uit het pensum, en een beargumenteerde toelichting geven op overeenkomsten en verschillen (eindterm 13)

De kandidaat kan vorm en inhoud van een tekst uit latere tijd die inhoudelijk verwant is met of aansluiting heeft bij de thematiek op hoofdpunten kritisch vergelijken met teksten uit het pensum en een beargumenteerde toelichting geven op overeenkomsten en verschillen (eindterm 14)

De kandidaat kan – eventueel met behulp van nadere aanwijzingen met betrekking tot omvang en te gebruiken (typen van) argumenten – een gegeven stelling met betrekking tot de inhoud van een gelezen tekst beargumenteerd verdedigen of bestrijden. N.B. de globale inhoud van de pensumteksten wordt bekend verondersteld (eindterm 15)

3 Genre

De Historiën is het oudste overgeleverde Griekse geschiedwerk en om die reden noemt Cicero Herodotus 'de vader van de geschiedschrijving'. Het is ook het oudste omvangrijke werk in proza. Zowel de titel Historiën als de indeling in negen boeken stammen uit later tijd.

Herodotus stond in de traditie van de logografen (letterlijk: prozaschrijvers), die verhandelingen schreven op de gebieden van de genealogie, etnografie en geografie. De belangrijkste van deze logografen was Hecataeus van Milete, een oudere tijdgenoot van Herodotus. Het vernieuwende van Herodotus' geschiedwerk is onder andere gelegen in het feit dat hij niet een lokale geschiedenis schrijft, maar een universele.

Het onderwerp van de Historiën is het gewelddadige conflict tussen Grieken en niet-Grieken. De hele hem bekende wereld komt – voor zover betrokken bij zijn thema – aan bod.

Op vele plaatsen in zijn werk – veelal buiten het hier gekozen pensum – maakt Herodotus opmerkingen over zijn historische methode. Bij zijn ἱστορίη ('onderzoek') hanteert hij drie instrumenten: ὄψις ('het zien'), ἀκοή ('het horen') en γνώμη ('het redeneren'). Dus in plaats van zijn informatie kant en klaar van de muzen te ontvangen, zoals de epische dichter, gaat hij zelf op onderzoek uit. Hij neemt ter plekke waar, legt zijn oor te luisteren bij mensen die iets gezien of meegemaakt hebben of een traditie kennen, en als deze informatiebronnen ontbreken probeert hij tot een reconstructie te komen door middel van redeneringen. Herodotus geeft soms zijn bronnen aan en vermeldt verschillende versies van eenzelfde gebeurtenis. Soms zegt hij ook dat hij iets niet weet. Deze methode kenmerkt Herodotus als historisch onderzoeker.

4 Tekstsoort

Herodotus' geschiedwerk is narratief. Dit betekent dat we te maken hebben met een verteller die in de tekst een afspiegeling is van de historische auteur Herodotus. De verteller treedt soms naar voren om commentaar te leveren. Hij vertelt over de handelingen van historische personages, maar laat hen ook veelvuldig aan het woord. Via de woorden van de personages maakt de lezer/toehoorder kennis met hun visie op de gebeurtenissen, of in elk geval met de visie die Herodotus hun toeschrijft.

De structuur van de Historiën als geheel is in principe chronologisch (Croesus, Cyrus, Cambyses, Darius, Xerxes), maar het hoofdverhaal wordt dikwijls onderbroken door historische, etnografische of geografische uitweidingen. Ook het hoofdverhaal zelf bestaat uit een aaneenschakeling van kleinere verhalen.

Herodotus maakt gebruik van de volgende tekststructurerende middelen. Voor een uitgebreide lijst van stilistische middelen wordt verwezen naar de CEVO-minimumlijst (zie Gele Katern 2002, nr. 25/26); in het kader van de lectuur van Herodotus worden de volgende begrippen, kenmerken van gesproken taal, nader toegelicht:

'kop-staartverbindingen': herhaling van een hoofdwerkwoord door een participium van hetzelfde werkwoord waardoor de verschillende informatieblokken (of: -blokjes) met elkaar verbonden worden (bijvoorbeeld: 5.12.4, ἦρσε τὸν ἵππον, ἄρσασα δέ ...)

epanalepsis: na een – kleine of grote – digressie wordt het hoofdverhaal weer opgepakt door woordelijke herhaling van (een deel van) het voorafgaande

ringcompositie: aan het begin en het eind van een episode komen (woordelijke) overeenkomsten voor waardoor de episode als één informatieblok gepresenteerd wordt

In de periode van de oudheid die in het pensum centraal staat (zesde en vijfde eeuw v. Chr.) was men zich terdege bewust van de bijna magische kracht van het gesproken woord. In de vijfde eeuw waren het in het bijzonder de sofisten die zich richtten op het overreden van tegenstanders, belangrijk wanneer men met welke vorm van diplomatie dan ook iets wil bereiken. In de passages over de onderhandelingen tussen de Grieken en Gelon (uit boek 7) en die tussen de Grieken en Mardonius (uit boek 8 en 9) zijn voorbeelden te zien van 'retorica in de praktijk'.

Plato en Socrates oordeelden negatief over de retorica: hun bezwaar was dat de retorica in tegenstelling tot de filosofie zich niet bezig hield met de waarheid. Aristoteles benaderde de welsprekendheid meer vanuit een empirisch wetenschappelijk standpunt. Hij vond dat het overredingsproces een menselijke en maatschappelijke realiteit was. Om deze overreding te bewerkstelligen gebruikte een spreker bepaalde middelen, drie in getal: ἦθος (gebruikmaken van argumenten die zijn ontleend aan het karakter van de spreker), πάθος (emoties in de strijd werpen om emoties op te roepen) en λόγος (rationele argumentatie).

Zelf gaf Aristoteles naast filosofische colleges ook onderwijs in retorica, omdat het niet genoeg is gelijk te hebben: men moet het ook krijgen. Volgens Aristoteles kan dit door een goede argumentatie, door psychologische beïnvloeding en doeltreffend en boeiend taalgebruik. Voortbouwend op Aristoteles' inzichten werkte men de retorica uit tot een hecht systeem, dat tijdens de hellenistische periode verder werd ontwikkeld.

Vaardigheden

De kandidaat kan in een voorgelegde tekst uit het pensum de genrekenmerken benoemen en deze kennis toepassen bij het interpreteren van de tekst (eindterm 10b)

De kandidaat kan in een voorgelegde tekst uit het pensum de kenmerken van de tekstsoort benoemen en deze kennis toepassen bij het interpreteren van de tekst. Behalve de door de CEVO-minimumlijst gebruikte termen (zie Gele Katern 2002, nr. 25/26) worden de volgende termen bekend verondersteld: ἦθος, πάθος en λόγος (eindterm 10a)

De kandidaat kan aan de hand van een tekst uit het pensum de literaire technieken en verteltechnische en stilistische middelen benoemen en deze kennis toepassen bij het interpreteren van de tekst (eindterm 11)

B Cultuurreflectie

1 Leven van Herodotus

Herodotus is circa 484 v. Chr. geboren in Halicarnassus, een Griekse kolonie aan de westkust van Klein-Azië. We weten maar weinig over zijn leven. Hij verbleef waarschijnlijk een aantal jaren als balling op het eiland Samos. Hij besteedt in ieder geval veel aandacht aan dit eiland in zijn geschiedwerk. Hij maakte reizen (o.a. naar Egypte en de kust van de Zwarte Zee), waarbij het onduidelijk is in welke hoedanigheid: als handelaar of als onderzoeker. Hij verbleef waarschijnlijk ook geruime tijd in Athene, waar hij bevriend was met Pericles en Sophocles. Op latere leeftijd vestigde hij zich in Thurii in Zuid-Italië, waar hij stierf rond 425 v. Chr.

2 Historische context

De historische achtergrond waartegen de teksten van het pensum zich afspelen beslaat de zesde en de vijfde eeuw v. Chr. In de voorgaande eeuwen hebben de Grieken op het vasteland en op de westkust van Klein-Azië zich georganiseerd in poleis. Een polis is een klein gebied (bijvoorbeeld een bergdal, een kustvlakte of een eiland), waarvan de inwoners zich autonoom achten. Het bestuur van een dergelijke polis vindt plaats op twee niveaus: de volksvergadering van vrije mannen en een raad van aristocraten. De politieke macht is in handen van de aristocratie, die jaarlijks uit haar midden de magistraten kiest.

Vanaf de achtste eeuw v. Chr. stichten de Grieken kolonies, vanwege toename van de bevolking. Deze kolonies worden vooral op de kusten van Middellandse en Zwarte Zee gesticht. Door de kolonisatie neemt de handel toe, waardoor binnen de poleis sociale spanningen ontstaan. De aristocraten worden rijker en machtiger, de handarbeiders worden economisch steeds afhankelijker van de aristocraten. Ook tussen de poleis onderling ontstaan spanningen.

In de loop van de zevende/zesde eeuw v. Chr. grijpen tirannen, vaak met steun van militairen, her en der de macht in de poleis. Zij weten een tijdlang het volk aan zich te binden, door landverdeling en het instellen van culten en festivals, maar verliezen toch hun populariteit en worden uiteindelijk verdreven. De poleis op het Griekse vasteland en westelijker krijgen (al dan niet democratisch gekozen) zelfbestuur, die in Klein-Azië vallen vanaf 546 v. Chr. onder het bestuur van de Perzische vorst Cyrus, die zijn macht wenst uit te breiden naar het westen. De Perzen benoemen tirannen in deze poleis om ze onder de duim te houden.

Cyrus' zoon Cambyses (529-522) verovert Egypte en andere delen van Noord-Afrika. Diens opvolger Darius (519-485) krijgt te maken met een opstand van de Griekse steden in Klein-Azië tegen zijn bewind, de Ionische opstand (499-494), waarbij de Ioniërs steun krijgen van Athene en Eretria Deze steun vormt voor Darius en zijn zoon en opvolger Xerxes een goede aanleiding om Griekenland aan te vallen en in te lijven bij het Perzische rijk.

De eerste expeditie (492 v. Chr.) ter verovering van Griekenland lijdt schipbreuk op het Athos-gebergte, de tweede (490) loopt uit op een Atheense overwinning in de slag bij Marathon. In de derde expeditie (480-479) wordt Xerxes wordt door de Grieken ter zee verslagen in de slag bij Salamis (480); hij keert dan zelf terug naar Perzië, maar laat een landleger achter onder Mardonius, dat in 479 door de Grieken wordt verslagen bij Plataeae.

Wanneer ten slotte de Carthagers in dezelfde tijd (480), misschien in overleg met de Perzen, de Griekse kolonies op Sicilië aanvallen, verslaat Gelon, de vorst van Syracuse, hen in de vlakte van Himera. De Carthaagse invloed blijft vervolgens beperkt tot het westen van het eiland.

Athene en verschillende andere Griekse steden roepen in de jaren 70 van de vijfde eeuw de Delisch-Attische Zeebond in het leven, een defensief verbond van Griekse poleis gericht tegen Perzische agressie. Athene neemt al snel de leiding en begint de bond steeds meer als een eigen imperium te zien. Dit leidt tot spanningen met Sparta, die eerst nog worden opgelost (446 v. Chr.), maar die door de activiteiten van Pericles ten voordele van de machtspositie van Athene toch uitmonden in de Peloponnesische Oorlog (431-404), tussen voornamelijk Athene en Sparta en hun beider bondgenoten. In deze oorlog trekt Athene uiteindelijk aan het kortste eind.

Vaardigheden

De kandidaat kan aan de hand van een voorgelegde tekst of citaat vragen beantwoorden over het leven van Herodotus voor zover dit van belang is voor het juiste begrip van de thematiek en de teksten uit het pensum (eindterm 9)

De kandidaat is op de hoogte van de cultuur-historische context waarin de tekst van Herodotus gefunctioneerd heeft, en kan deze kennis toepassen bij het beantwoorden van vragen naar aanleiding van een voorgelegde tekst (eindterm 12)

C Taalreflectie

Hoewel het Ionisch en het Attisch beide tot dezelfde dialectgroep behoren, wijken ze op een aantal punten van elkaar af. De volgende verschillen worden bekend verondersteld.

Algemeen

– Het Ionisch heeft η, ook na ρ, ι en ε, waar het Attisch een lange α heeft: πρῆγμα (Attisch: πρᾶγμα); Ἀσίην (Attisch: Ἀσίαν)

– In het Ionisch blijft de aspiratie vaak achterwege (psilosis): ἀπικνέονται (Attisch: ἀφ-)

– In het Ionisch blijft contractie meestal achterwege: καλέει (Attisch: καλεῖ); ἐδέξαο (Attisch: ἐδέξω); ἕπεο (Attisch: ἕπου)

– Het Ionisch heeft in bepaalde gevallen κ waar het Attisch een π heeft: κῃ (Attisch: πῃ); κοῦ (Attisch: ποῦ)

– Het Ionisch heeft -σσ- waar het Attisch -ττ- heeft: θάλασσα (Attisch: θάλαττα); ἀπαλλάσσεο (Attisch: ἀπαλλάττου)

– Het Ionisch gebruikt ὦν (Attisch: οὖν); ἐς (Attisch: εἰς)

Lidwoorden

τοῖσι (Attisch: τοῖς); τῇσι (Attisch: ταῖς)

Substantiva/adiectiva

– a-declinatie: gen.pl. op -έων (Attisch: -ῶν); dat.pl. op -ῃσι (Attisch: -αις)

– o-declinatie: dat.pl. op -οισι (Attisch: -οις)

– derde declinatie: gen.sg. van woorden en eigennamen op -ευς is -εος (Attisch: -εως); gen.sg. van woorden en eigennamen op -ης is -εος (Attisch: -ους); gen.sg. van i-stammen is -ιος (Attisch: -εως); nom./acc.pl. van onzijdige woorden op -ος is -εα (bijvoorbeeld: ὀνείδεα, Attisch: ὀνείδη)

πολλός (Attisch: πολύς); πολλόν (Attisch: πολύν)

Pronomina

– relativa: meestal met τ (dezelfde vorm als het lidwoord: τοῦ = lidwoord of οὗ)

– personalia: ἡμέων (Attisch: ἡμῶν); ἡμέας (Attisch: ἡμᾶς); ὑμέων (Attisch: ὑμῶν); ὑμέας (Attisch: ὑμᾶς); σφι (Attisch: αὐτοῖς); ἑωυτ- (Attisch: ἑαυτ-)

Verba

– Het augmentum temporale blijft vaak achterwege ἀμείβετο (Attisch: ἠμείβετο)

– Het participium van εἰμί is ἐών, ἐόντος enz. in plaats van ὤν, ὄντος enz.

– Het Ionisch gebruikt γίνομαι (Attisch: γίγνομαι)

– ptc.med., dat.pl.: -μένοισι (Attisch: -μένοις); -μένῃσι (Attisch: -μέναις)

Vaardigheden

De kandidaat kan een ongeziene authentieke tekst vertalen, die qua aard, moeilijkheid en – indien mogelijk – qua thematiek nauw aansluit bij de gelezen teksten. Hierbij worden de hierboven genoemde – bij de teksten van de kernauteur frequent voorkomende – morfologische, syntactische en stilistische verschijnselen bekend verondersteld. Tevens wordt bij de annotatie de omschrijving van de CEVO (zie Gele Katern 2002, nr. 25/26) van de minimumkennis op het gebied van morfologie syntaxis en stilistiek als uitgangspunt genomen (eindterm 1)

Bijlage 2 syllabus CE Latijn 2005

Kernauteur: Ovidius, schaduwauteur Vergilius

Genre: Epiek

Titel: De moraal van het verhaal.....

Aanbevolen edities: W.S. Anderson, Stuttgart/Leipzig (Bibliotheca Teubneriana); OCT ed. R.A.B. Mynors 1969

A Tekstreflectie

1 Thematiek

Het beroemdste werk van Ovidius is de Metamorphoses, een speels epos waarin hij de Griekse mythologie naar zijn hand zet en onder andere een wereld schildert waarin mensen en goden zich niet houden aan de geldende normen, maar zich vaak te buiten gaan aan amoreel gedrag. Vaak worden de mensen voor hun gedrag gestraft of beloond met een door de goden veroorzaakte metamorfose. Dit alles wordt door Ovidius beschreven op een luchtige, soms zelfs licht parodiërende toon.

Ruim twintig jaar eerder had de dichter Vergilius ook een epos gedicht, maar dit heeft een heel ander karakter dan dat van Ovidius. Vergilius maakte deel uit van de literaire kring van dichters die zich hadden aangesloten bij de politieke idealen van keizer Augustus. Augustus had zich onder andere tot taak gesteld de morele wederopbouw in Rome te stimuleren. Vergilius creëerde een nationaal epos, de Aeneis, waarin hij teruggreep op het epos van Homerus en in de persoon van Aeneas een held bezong, die goed paste binnen de ideologie van de keizer.

Het grootste deel van het pensum is een selectie uit de Metamorphoses van Ovidius waarin mensen zich van een amorele kant laten zien.

Ter illustratie van het geheel andere karakter van Vergilius' epos zijn daaruit enkele passages gekozen, waarin de held Aeneas tegen zijn zin zijn geliefde verlaat om de taak te volbrengen die hem door de goden is opgelegd.

2 Pensum (de met * gemarkeerde passages worden in vertaling gelezen)

A Ovidius, Metamorphoses

Mercurius, Herse en Aglauros (woordbreuk, hebzucht)

- II 708-736*

- 737-796

- 797-832*

Mercurius is verliefd op Herse. Hij vraagt haar zus Aglauros een ontmoeting met Herse te regelen. Aglauros vraagt hiervoor van Mercurius een grote hoeveelheid goud. De godin Minerva, die nog een appeltje met haar te schillen heeft, zendt dan Vrouw Jaloezie op Aglauros af, die haar laat wegkwijnen van jaloezie. Wanneer Aglauros Mercurius bij een bezoek aan Herse de toegang wil weigeren, verandert hij haar in een steen.

Pyramus en Thisbe (ongehoorzaamheid)

- IV 55-166

Twee buurkinderen zijn verliefd en besluiten tegen het verbod van hun vaders in 's avonds buiten de stad samen te komen. Door een dubbel misverstand eindigt hun avontuur in de dood.

Teksten ter vergelijking

De teksten ter vergelijking dienen om de thematiek of de betreffende passage van Ovidius of Vergilius te verdiepen, toe te lichten, reliëf te geven enz.

Ovidius moralizatus (Petrus Berchorius, Reductorium Morale XV.4.5)*

In de middeleeuwen las men graag Ovidius, maar het lage morele gehalte van de verhalen paste niet bij de christelijke moraal van die tijd. Om de verhalen toch te kunnen lezen, ging men er toe over moraliserende allegorische verklaringen te geven.

De tekst en vertaling hiervan zijn op te vragen bij de VCKT.

Hermaphroditus (onbeheerste hartstocht)

IV 285-388*

De bronnimf Salmacis is verliefd op de mooie jongeling Hermaphroditus, die echter niets van haar wil weten. Wanneer hij eens in haar bron zwemt, klemt zij zich in onbeheerste passie stevig aan hem vast, maar Hermaphroditus weigert op haar avances in te gaan. Op Salmacis' smeekbede laten de goden Hermaphroditus met de nimf samengroeien tot één persoon, half man, half vrouw.

Tekst ter vergelijking

Homerus, Odyssee 6, 149-161*

Odysseus is als schipbreukeling naakt aangespoeld op het strand en spreekt de koningsdochter Nausicaä toe. Ovidius parodieert deze passage door een tekst met veel overeenkomsten in de mond te leggen van een mondaine nimf die een jongen toespreekt.

Niobe (hoogmoed)

VI 146-266*

267-312

Niobe waagt het zichzelf boven de godin Latona te stellen, die slechts twee kinderen heeft, terwijl zijzelf er veertien heeft. De kinderen van Latona, Apollo en Diana, straffen haar door al haar kinderen te doden. Zelf kwijnt zij weg van verdriet en verandert in een rots.

Lycische boeren (botheid)

VI 313- 338*

339-381

Boeren in Lycië verhinderen de godin Latona en haar twee kleine kinderen hun dorst te lessen met water uit een meertje. Voor straf verandert de godin hen in kikkers.

Tereus (bedrog, verkrachting, moord en kannibalisme)

VI 426- 485*

486 - 562

563 - 674*

De Thraciër Tereus, die getrouwd is met de Atheense Procne, wordt verliefd op haar zuster Philomela. Hij sluit haar op in een hut en verkracht haar. Vervolgens rukt hij haar tong uit, om te voorkomen dat zij hem zou kunnen verraden. Uiteindelijk wordt Philomela door Procne bevrijd. De zussen nemen gruwelijk wraak door Tereus zijn zoon Itys als maaltijd voor te zetten. Wanneer Tereus de zusters hiervoor wil doden, veranderen zij in een zwaluw en een nachtegaal, Tereus zelf in een hop.

Scylla en Minos (verraad)

VIII 6 -151*

Koning Minos van Kreta belegert de stad Megara, waar Nisus regeert. Diens dochter Scylla wordt verliefd op Minos en verraadt haar vader en haar stad in de hoop zo Minos voor zich te winnen. Deze is echter geschokt door haar daad en wil niets van deze landverraadster weten. Scylla verandert in een zeevogel.

Althaea en Meleager (wraak of moederliefde)

VIII 414-444*

445-532

Meleager doodt bij een ruzie twee ooms, broers van zijn moeder. Hierdoor wordt zijn moeder Althaea heen en weer geslingerd tussen liefde voor haar broers en liefde voor haar zoon. Als zuster moet zij wraak nemen op de moordenaar van haar broers, maar dat betekent dat zij haar kind moet doden. De liefde voor haar broers prevaleert.

Philemon en Baucis (gastvrijheid)

VIII 611-724*

Wanneer twee goden in vermomming op bezoek komen in het eenvoudige hutje van Philemon en Baucis, worden zij door de oude mensen gastvrij ontvangen. Als dank veranderen de goden hen, wanneer hun einde is gekomen, in bomen. In dit verhaal zijn de hoofdpersonen deugdzaam en rechtschapen en is hun metamorfose geen straf, maar een beloning.

Erysichthon (gebrek aan eerbied tegenover goden en eigen dochter)

VIII 738-813*

814-878

Erysichthon hakt een heilige boom om van de godin Ceres. Zij straft hem voor deze goddeloosheid door Vrouw Honger op hem af te sturen. Om aan geld voor eten te komen verkoopt hij bij herhaling zijn dochter als slavin. Ten slotte eet hij zichzelf op.

B Vergilius, Aeneis IV Aeneas en Dido (plicht versus passie)

Na de inname van Troje vlucht Aeneas op instigatie van zijn moeder, de godin Venus, met zijn vader en zoontje en een groot aantal trouwe Trojanen om in Italië een nieuw Troje te stichten. Door machinaties van de goden is hij echter uit de koers geslagen en in Africa terecht gekomen. Daar wordt hij door de jonge koningin Dido warm ontvangen. Zij wordt al snel verliefd op Aeneas. De godin Juno, die Aeneas van zijn taak wil afhouden, zorgt ervoor dat hij en Dido tijdens een jachtpartij samen in een grot terechtkomen. Dido at dit samenzijn op als een huwelijk. Aeneas lijkt zijn opdracht om in Latium een nieuw rijk te stichten te vergeten.

Het bevel van Mercurius 259-295

Jupiter stuurt zijn bode Mercurius om Aeneas aan zijn plicht te herinneren. Aeneas besluit het vertrek voor te bereiden en wacht een gunstige gelegenheid af om het Dido te vertellen.

Dido's verwijt 296-330*

Voordat hij dat kan doen, richt Dido zich tot Aeneas en verwijt hem dat hij, voor wie ze alles heeft overgehad, haar stiekem wil verlaten.

Aeneas' rechtvaardiging 331-361

Aeneas gaat op Dido's verwijten in en rechtvaardigt zijn vertrek met zijn argumenten.

Dido tot Aeneas 362-396*

Bitter veegt Dido de vloer aan met Aeneas' argumenten. Ondanks zijn mededogen zet Aeneas zijn vertrek door.

Tekst ter vergelijking

Homerus, Ilias 16, 33-35*

Patroclus verwijt Achilles dat hij hardvochtig is. Vergilius, die in verschillende opzichten teruggreep op Homerus, heeft in 365-367 vergelijkbare bewoordingen gebruikt in een vergelijkbare situatie.

Anna benadert Aeneas 416-436*

Anna benadert op uitdrukkelijk verzoek van haar zuster Dido nogmaals Aeneas.

Aeneas' reactie 437-449

Door middel van een vergelijking laat Vergilius verhuld zien hoe getroffen Aeneas is.

Tekst ter vergelijking

Homerus, Ilias 16, 764-771*

Een gevecht tussen Grieken en Trojanen om een gevallen strijder wordt vergeleken met stormwinden die elkaar bestrijden en met hun geweld een eik proberen te ontwortelen. Deze vergelijking voor een fysieke strijd heeft Vergilius tot voorbeeld genomen voor de beschrijving van Aeneas' innerlijke strijd in 441-444.

Mercurius' waarschuwing 554 - 583

Mercurius waarschuwt Aeneas dat Dido het vertrek niet wil accepteren en kwaad in de zin heeft. Daarom vertrekt Aeneas haastig.

Dido's dood 641 - 705*

Na Aeneas' vertrek wil Dido niet meer leven. Ze vervloekt Aeneas (en zijn toekomstig rijk) en maakt een einde aan haar leven.

C Bovendien wordt gelezen:

- in het kader van het leven en werk van Ovidius:

- Tristia 4. 10* Autobiografie

- Tristia 1.7, 11-40* over de Metamorphoses

- Tristia 2, 303-326* over de Ars Amatoria

- ter illustratie van de wijze waarop dichters ten tijde van Augustus de keizer in hun werken verheerlijkten:

- Vergilius, Georgica 1, 24-42*

- Augustus zal t.z.t. kiezen welke plaats hij onder de goden wil innemen

- Horatius, Oden 4, 5 *

- Augustus is met zijn leger in Gallië en Spanje en het volk mist hem zoals een moeder haar zoon mist.

- om de persoon van keizer Augustus en diens normen en waarden enig reliëf te geven:

- Cassius Dio 55.10.12-16*

- Augustus tolereert ook in zijn eigen familie geen amoreel gedrag.

- Cassius Dio 56.4.2- 56.5.7*

Augustus wijst ongetrouwde ridders op hun morele plicht tot voortplanting en spoort hen aan te trouwen.

Vaardigheden

De kandidaat kan begripsvragen over teksten uit het pensum en over de thematiek beantwoorden en zijn antwoorden desgevraagd onderbouwen met citaten uit de voorliggende tekst(en) (eindterm 5+6)

De kandidaat kan in een Latijnse tekst uit het pensum elementen aanwijzen die de opbouw en de samenhang van die tekst zichtbaar maken (eindterm 2)

De kandidaat kan een passage van een voorliggende tekst uit het pensum parafraseren en daarmee de essentie ervan weergeven (eindterm 7+8)

De kandidaat kan inhoudelijke verschillen en overeenkomsten aangeven en toelichten tussen een Latijnse tekst uit het pensum en een vertaling hiervan (eindterm 3)

De kandidaat kan kenmerkende verschillen, die samenhangen met verschillen tussen het Latijnse en het Nederlandse taalsysteem, aangeven en toelichten aan de hand van een Latijnse tekst uit het pensum en een vertaling hiervan. De vragen kunnen grammaticale en stilistische aspecten betreffen, mits in dienst van het tekstbegrip (eindterm 4)

De kandidaat kan vertaalde Griekse of Latijnse teksten die inhoudelijk verwant zijn met of aansluiting hebben bij het pensum vergelijken met teksten uit het pensum, en een beargumenteerde toelichting geven op overeenkomsten en verschillen (eindterm 13)

De kandidaat kan vorm en inhoud van een tekst of beeldmateriaal uit later tijd die/dat inhoudelijk verwant is met of aansluiting geeft bij (de thematiek van) het pensum op hoofdpunten kritisch vergelijken met teksten uit het pensum en een beargumenteerde toelichting geven op overeenkomsten en verschillen (eindterm 14)

De kandidaat kan – eventueel met behulp van nadere aanwijzingen met betrekking tot omvang en te gebruiken (typen van) argumenten – een gegeven stelling met betrekking tot de inhoud van een gelezen tekst beargumenteerd verdedigen of bestrijden. N.B. de globale inhoud van de pensumteksten wordt bekend verondersteld (eindterm 15)

3 Genre en Tekstsoort

Genre

Kenmerken van het traditionele epos zijn:

het is een lang, verhalend gedicht met een doorlopend verhaal over een verheven onderwerp

de hoofdpersonen zijn helden uit het verleden en de goden spelen meestal ook een belangrijke rol

het metrum is de dactylische hexameter

de toon is verheven, in overeenstemming met de verhevenheid van de inhoud

De Metamorphoses is een episch werk dat slechts in een aantal opzichten in het traditionele genre past:

het is lang (12000 verzen, verdeeld over 15 boeken)

het vertelt over helden en goden

het is geschreven in de dactylische hexameter

Op een aantal belangrijke punten verschilt de Metamorphoses echter van de traditionele epen, die we kennen van Homerus en Vergilius.

de Metamorphoses bestaat niet uit een doorlopend verhaal over één thema (zoals bijvoorbeeld in Homerus' Odyssee 'de terugkeer van Odysseus'), maar uit een aaneenrijging van een groot aantal kleinere verhalen. De tekst heeft toch een zekere eenheid, doordat de verhalen meestal eindigen met een gedaanteverandering.

hoewel de personages in de verhalen vooral helden, goden en andere legendarische figuren zijn, is hun gedrag niet verheven, maar veeleer lichtzinnig.

de toon van het werk is frivool en past daarmee bij het doorgaans niet erg hoge morele gehalte van de verhalen.

De Aeneis past wel in het genre van de traditionele epen.

de 12 boeken vormen een doorlopend verhaal over de omzwervingen en vestiging in Italië van Aeneas, de stamvader van de Romeinen

er treden helden en goden in op

het is geschreven in de dactylische hexameter

de toon van het werk is verheven, evenals de inhoud

Tekstsoort

De tekst van de Metamorphoses en de Aeneis is narratief. We hebben in hoofdzaak te maken met een alwetende verteller die zelf geen rol speelt in het verhaal. Zijn alwetendheid blijkt uit het feit dat hij de afloop van het verhaal en de gedachten van de personages kent. De hand van de verteller blijkt verder uit manipulaties met het aspect 'tijd'. Zo kan hij -of een personage- vooruitlopen op het verhaal (prospectie) of teruggrijpen op een eerdere gebeurtenis (retrospectie). Verder kan de verteller variëren in het verteltempo: als de verteltijd korter is dan de vertelde tijd, spreken we van versnelling, als hij langer is van vertraging.

Een zeer typerend onderdeel van het antieke epos is de vergelijking, die doorgaans bestaat uit 1) het afgebeelde, 2) het beeld, en 3) het punt van overeenkomst (tertium comparationis).

Voor een uitgebreide lijst van stilistische middelen wordt verwezen naar de CEVO-minimumlijst (zie Gele Katern 2002, nr. 25/26); in het kader van de lectuur van Ovidius en Vergilius worden de volgende begrippen nog bekend verondersteld:

- enallage

- metonymie (abstractum pro concreto, concretum pro abstracto, pars pro toto, materiaal i.p.v. voorwerp, product i.p.v. godheid)

Vaardigheden

De kandidaat kan in een voorgelegde tekst uit het pensum de genrekenmerken benoemen en deze kennis toepassen bij het interpreteren van de tekst (eindterm 10b). Tevens kan de kandidaat aanwijzen in welke opzichten Ovidius van de gangbare genrekenmerken afwijkt.

De kandidaat kan in een voorgelegde tekst uit het pensum de kenmerken van de tekstsoort benoemen en deze kennis toepassen bij het interpreteren van de tekst. Behalve de door de CEVO-minimumlijst (zie Gele Katern 2002, nr. 25/26) gebruikte termen worden de volgende termen bekend verondersteld: enallage, metonymie (eindterm 10a).

De kandidaat kan aan de hand van een tekst uit het pensum de literaire technieken en verteltechnische en stilistische middelen benoemen en deze kennis toepassen bij het interpreteren van de tekst (eindterm 11)

B Cultuurreflectie

1 Leven van Ovidius en Vergilius

Ovidius (43 v. Chr. – 17/18 n. Chr.)

Publius Ovidius Naso werd geboren in Sulmo (Midden-Italië) in 43 v. Chr. uit een bemiddelde, maar niet-adellijke familie. Hij bezocht samen met zijn broer de beste scholen in Rome, waar hij onderwijs kreeg in de retorica, als start voor een politieke carrière. Hij eindigde zijn studie met een traditionele reis naar Athene. Na terugkeer besloot hij zijn nauwelijks begonnen politieke loopbaan te verlaten om zich geheel aan de dichtkunst te kunnen wijden. Hij nam als gevierd dichter deel aan het openbare leven en zijn voorlezingen uit eigen werk waren zeer populair.

Na twee mislukte huwelijken trouwde hij rond zijn veertigste voor de derde keer. Op het hoogtepunt van zijn roem, in het jaar 8 na Chr., werd Ovidius plotseling naar Tomi aan de Zwarte Zee verbannen door keizer Augustus. De exacte reden hiervoor is onduidelijk. Er zijn zelfs geleerden die aan de historische realiteit van de verbanning twijfelen. Ovidius zelf noemt als redenen 'carmen et error'. Over het carmen als reden voor zijn verbanning is Ovidius expliciet: de Ars Amatoria heeft door haar amoreel karakter Augustus' woede gewekt. Waarin de error (vergissing) bestond legt hij niet uit, wat heeft geleid tot uiteenlopende speculaties. Heeft Ovidius Augustus betrapt in een compromitterende situatie? Of was hijzelf verwikkeld in een affaire met Julia, de kleindochter van Augustus?

Uit verbittering over zijn verbanning verbrandde hij, naar hij zelf in zijn poëzie beweert, het manuscript van de Metamorphoses. Het werk bleef echter bewaard door de vele kopieën die al in omloop waren.

Vanuit Tomi schreef hij gedichten vol heimwee naar zijn leven in Rome en zijn vrouw, die daar was achtergebleven. In veel van deze gedichten doet hij op vleiende, soms kruiperige toon een verzoek aan Augustus en later aan diens opvolger om terug te mogen keren, maar zonder succes. Zij bleven onvermurwbaar. Ovidius stierf in Tomi in 17 of 18 na Chr.

Vergilius (70 - 19 v. Chr.)

Publius Vergilius Maro werd geboren in de buurt van Mantua in 70 v. Chr. uit een niet-adellijke familie. Zijn vader had een eenvoudig boerenbedrijf. Evenals Ovidius studeerde Vergilius retorica in Rome en zag daarna al snel af van een politieke carrière. Hij legde zich toe op dichten en wist daarmee de aandacht te trekken van Maecenas, een invloedrijke promotor en sponsor van de kunsten en een vriend van keizer Augustus. Vergilius behoorde voortaan tot de vaste kring van dichters die Maecenas om zich had verzameld. Hij verwierf grote roem en stond bijzonder in de gunst bij de keizer. Bij zijn dood in 19 v. Chr. was zijn epos de Aeneis nog niet af en daarom wilde hij dat het niet werd uitgegeven. Op uitdrukkelijke wens van Augustus is dit echter toch gebeurd.

2 Werken

Ovidius

Het belangrijkste werk van Ovidius is de Metamorphoses, zijn enige werk in hexameters. Van de andere werken is binnen het thema van deze syllabus de Ars Amatoria van belang, waarin voorschriften worden gegeven voor het bereiken van succes in de liefde. Dit boek zou Ovidius later het verwijt opleveren dat hij de publieke moraal aantastte.

In ballingschap schreef Ovidius onder andere poëtische brieven: de Tristia, treurzangen vol zelfbeklag.

Vergilius

Het belangrijkste werk van Vergilius is de Aeneis. In dit nationale epos wordt mythologie vermengd met de Romeinse geschiedenis, waardoor Romes ontstaan en haar groei tot wereldmacht worden voorgesteld als een goddelijke beschikking.

Een eerder werk is de Georgica, een gedicht over de landbouw, waarin naast liefde voor het landleven ook propaganda doorklinkt voor herstel van de boerenstand, dat een belangrijk streven was van het nieuwe bewind van Augustus.

3 Cultuur-historische context

Na een langdurige periode van burgeroorlogen was er een algemeen verlangen naar vrede en welvaart en Augustus voorzag in deze behoefte, nadat alle macht in zijn handen was gekomen. Hij voerde hervormingen door op sociaal en religieus gebied en zorgde voor wetten die het traditionele gezin beschermden (bijv. wet tegen overspel). Zoals veel andere schrijvers en kunstenaars was Vergilius vol enthousiasme over de toekomst, die er nu eindelijk hoopvol uitzag. Hij sloot zich aan bij de literaire kring die onder leiding van Maecenas stond en in de literatuur de waardering en propaganda voor de oude Romeinse tradities tot uiting liet komen. In de Aeneis schiep hij in Aeneas een held die de oude morele en religieuze Romeinse waarden respecteert en het collectief welzijn van zijn volk en zijn goddelijke opdracht boven zijn eigen belang en verlangens stelt. Een andere dichter uit de kring van Maecenas, Horatius, prees de virtus romana en de keizer, die vrede had gebracht.

Ovidius leefde een generatie later dan Vergilius, toen het enthousiasme over Augustus' bewind, dat in de beginperiode zo sterk was geweest, enigszins was afgenomen. De jongere generatie had de burgeroorlogen niet bewust meegemaakt en altijd in vrede geleefd. In Ovidius' werk speelt de bewondering voor de keizer een kleine rol. Zijn werk kon in sommige opzichten zelfs als ondermijnend voor de politiek van Augustus worden ervaren. De provocerende passages in de Ars Amatoria, het gebrek aan decorum dat goden en helden in het 'epos' van Ovidius vertonen, het voortdurende overspel en het uitweiden over de minder voorbeeldige daden uit Romes roemrijke verleden, dit alles zal weinig waardering van Augustus hebben gehad. Dit zou kunnen verklaren waarom Ovidius werd verbannen: de blijvende populariteit van de dichter zou tenslotte de doorslag hebben kunnen geven voor Augustus' beslissing.

Vaardigheden

De kandidaat kan aan de hand van een voorgelegde tekst of citaat vragen beantwoorden over het leven van Ovidius en Vergilius voor zover dit van belang is voor het begrip van de thematiek en de teksten uit het pensum (eindterm 9)

De kandidaat is op de hoogte van de cultuur-historische context waarin de teksten van Ovidius en Vergilius gefunctioneerd hebben, en kan deze kennis toepassen bij het beantwoorden van vragen naar aanleiding van een voorgelegde tekst (eindterm 12)

C Taalreflectie

1 Taal

De volgende verschijnselen worden bekend verondersteld:

- de verkorte vormen van de 3e pers. mv. in de ind.perf.act. –ēre = -ĕrunt

- possessief adiectivum i.p.v. genitivus

- dichterlijk meervoud

- patronymica

Vaardigheden

De kandidaat kan een dactylische hexameter scanderen en voor zover mogelijk de relatie leggen tussen het metrum en de inhoud

De kandidaat kan een ongeziene authentieke tekst van Ovidius vertalen, die qua aard, moeilijkheid en - indien mogelijk – qua thematiek nauw aansluit bij de gelezen teksten. Hierbij worden de hierboven genoemde – bij de teksten van de kernauteur (Ovidius) frequent voorkomende – morfologische, syntactische en stilistische verschijnselen bekend verondersteld. Tevens wordt bij de annotatie de omschrijving van de CEVO (zie Gele Katern 2002, nr. 25/26) van de minimumkennis op het gebied van morfologie, syntaxis en stilistiek als uitgangspunt genomen (eindterm 1)

Pijl omhoog