Thema's centraal examen klassieke taal en letterkunde 2004

kenmerk: VO/BOB-2002/19841
datum: 2 juli 2002
gepubliceerd: Gele katern 2002, nr. 17, p. 24

In de publicatie de jaarlijkse vaststelling van de thema's voor het centraal examen klassieke taal en letterkunde voor het jaar 2004


Besluit

Artikel 1 Thema's centraal examen

1. De thema's voor het centraal examen klassieke taal en letterkunde zijn in 2004:

a. Griekse taal en letterkunde : tragedie

Kernauteur : Euripides

b. Latijnse taal en letterkunde : filosofisch proza

Kernauteur : Cicero

2. Het lectuurpensum en de daarop afgestemde leerstof worden vastgesteld als

aangegeven in de als bijlagen bij deze regeling gevoegde syllabi.

Artikel 2 Bekendmaking

Deze regeling en de bijlagen worden in Uitleg OCenW-regelingen geplaatst. Van deze plaatsing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 3 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OCenW-regelingen waarin deze regeling is bekendgemaakt.

Artikel 4 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Thema's centraal examen klassieke taal en letterkunde 2004.

De staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

Drs. K.Y.I.J. Adelmund

Bijlage 1

Syllabus CE Grieks 2004

Kernauteur: Euripides: Troiades

Genre: Tragedie

Titel: In de macht van de ander: hoe reageer je wanneer je overwonnen bent?

Aanbevolen editie: Euripidis Fabulae ed. J. Diggle OCT 1981

A Tekstreflectie

1 Thematiek

In het pensum staat de vraag centraal hoe mensen kunnen reageren wanneer zij - machteloos en hulpeloos - zijn overgeleverd aan de willekeur van een overwinnaar. Hoe behouden zij hun eigenwaarde? Doet hoop leven? In Troiades treden de Trojaanse vrouwen Hekabe, Andromache en Kassandra op de voorgrond, alsmede de Griekse Helena. Verschillende reacties van de 'zwakkere' op de 'sterkere' worden verwoord en met elkaar gecontrasteerd. Zelfs de overwinnaars kunnen door hun brute optreden rekenen op gevolgen die hun overwinning zullen relativeren; iedereen blijkt derhalve een verliezer.

2 Pensum

(De met een * gemarkeerde passages worden in vertaling gelezen)

Proloog

1-47*

Monoloog van Poseidon, zelf een verliezer. Hij schetst de ondergang van Troje en het lot van de Trojaansen, en introduceert het hoofdpersonage Hekabe.

48-97

Het goddelijk perspectief

Dialoog tussen Poseidon en Athena, waarin over het lot van de overwinnaars wordt beschikt. De Grieken hebben Athena en haar heiligdom geschoffeerd: Aias heeft Kassandra uit de tempel gesleurd en is daar door de Grieken niet op aangesproken. Athena zint op wraak, Poseidon zegt hulp toe: wie tempels en graven plundert zal daar de repercussies van ondervinden.

TEKST TER VERGELIJKING(1)

E. Ba. 23-54*

Euripides opent zijn tragedies vaker met een goddelijke proloogspreker. In Bakchai wordt de proloog uitgesproken door de god Dionysos. Ook hij voelt zich door mensen geschoffeerd. Hij wil zijn verering afdwingen door zijn goddelijke kracht te tonen. Anders dan de goden in Troiades speelt Dionysos in menselijke gedaante een actieve rol in de handeling van het stuk.

(1) De teksten ter vergelijking zijn ter verdieping van de thematiek / de vraagstelling die bij de passage is geformuleerd, of om de betreffende passage van Euripides te verdiepen, toe te lichten, reliëf te geven, enz.

Bij de teksten ter vergelijking van Euripides is uitgegaan van Euripidis Fabulae ed. J, Diggle OCT 1981-1994.

98-152*

Koningin Hekabe ligt als gevangene naast de tent van Agamemnon en tracht het lot te accepteren. Ze reageert op de voor haar vernederende situatie met gezongen weeklachten, waarin ze de Grieken en met name Helena verantwoordelijk stelt.

TEKST TER VERGELIJKING:

E. Hel. 1151-1164*

In dit fragment wordt het oorlogsleed niet verklaard door de aanleiding tot het conflict, maar door de gewelddadige reactie op die aanleiding.

Parodos

153-234*

Het koor van gevangen Trojaanse vrouwen komt op. Eerst vraagt het koor zich af wat de overwinnaars van plan zijn. Hekabe vermoedt het ergste. Vervolgens speculeren de vrouwen over hun toekomstige verblijfplaats. Enige hoop klinkt hierbij door: in vergelijking met Sparta - uiteraard de meest angstaanjagende bestemming - zou Thessalië of, bij voorkeur, Athene te verkiezen zijn om de rest van hun leven in slavernij door te brengen.

Eerste Epeisodion

235-340*

Namens de Griekse legerleiding komt Talthybios de Trojaanse vrouwen hun verschrikkelijke lot melden: Kassandra valt als slavin toe aan Agamemnon, Polyxena is aangewezen 'om Achilleus' graf te dienen', Andromache is voor Neoptolemos en koningin Hekabe is als slavin aan Odysseus toegewezen. Het kan voor Hekabe nauwelijks erger. Dan komt Kassandra in vervoering op en zingt een loflied op haar verbintenis met Agamemnon.

TEKSTEN TER VERGELIJKING:

E. Hec. 342-371*

Polyxena krijgt in Troiades de rol van 'offermaagd'. Dit was een geliefd thema, dat door Euripides op verschillende manieren is uitgewerkt; zie ook bij Tr. 608-739. In Troiades is het verkrijgen van de rol van offermaagd een van de vreselijke dingen die met verliezers gebeuren. Dat dit nog niet het ergste behoeft te zijn, blijkt in Euripides' Hekabe uit de woorden die Polyxena zelf spreekt tegen Odysseus wanneer hij haar komt halen; haar trots is haar daar liever dan haar leven.

E. Hec. 546-582*

Talthybios beschrijft de heldhaftige houding van Polyxena tegenover haar beul. Polyxena verkiest te sterven uit vrije wil; onder de doden wil ze geen slavin genoemd worden. In een omkering van de slachtofferrol spoort zij Neoptolemos aan om het mes op haar keel te zetten. Haar moedige dood oogst bijval van de Grieken.

E. IA 1211-1240* en 1374-1401*

In Iphigenia in Aulis eist Artemis van Agamemnon het offer van zijn eigen dochter om de expeditie naar Troje mogelijk te maken. Aanvankelijk verzet Iphigeneia zich tegen haar offerdood, maar later ziet zij, noodgedwongen, er toch ook een lichtzijde aan.

Sen. Troad. 234-291*

Seneca laat de Griekse overwinnaars debatteren over het maagdenoffer aan de schim van Achilleus. Er volgt een heftige discussie tussen de rouwende Neoptolemos, die eist dat Polyxena aan de schim van zijn vader wordt geofferd, en Agamemnon, de zegevierende opperbevelhebber, die hem maant om in zijn jeugdige overmoed als overwinnaar maat te houden en van het offeren van Polyxena af te zien.

341-420

Omgekeerd perspectief: de verliezer wordt winnaar

Anders dan Hekabe beklaagt Kassandra haar lot niet: haar verbintenis met Agamemnon zou voor Hekabe reden tot enthousiasme moeten zijn, omdat Kassandra weet dat ze Agamemnon daarmee in het verderf zal storten en aldus genoegdoening zal verkrijgen voor al het leed dat hun is aangedaan. Ook houdt Kassandra Hekabe voor dat de verliezende Trojanen bij de oorlog meer baat gehad hebben dan hun overwinnaars. Talthybios zet vraagtekens bij Agamemnons keuze voor Kassandra, die hij niet toerekeningsvatbaar acht.

TEKST TER VERGELIJKING:

A. A. 1090-1139*

Kassandra wordt door Aischylos geportretteerd als slachtoffer. Agamemnon, de grote overwinnaar van Troje, zal thuis zijn leven verliezen in bad en Kassandra het hare met hem. Tegenover deze karakterisering door Aischylos laat Euripides Kassandra in een omgekeerd perspectief zien.

421-465*

Kassandra voorspelt wat Odysseus tijdens zijn thuisreis te wachten staat. Zij gaat graag snel aan boord van het schip van haar 'bruidegom' Agamemnon, indachtig de wraak die zal volgen. Het koor wijst op Hekabe, die sprakeloos op de grond valt.

466-510

Men moet de dag niet prijzen voor het avond is

Hekabe is letterlijk en figuurlijk gevallen. Zij is door de goden in de steek gelaten; zij kijkt terug op haar leven: voorheen koningin van Troje en moeder in een bloeiend gezin, is zij nu vernederd, vervallen tot slavernij en verstoken van hulp van haar kinderen.

TEKST TER VERGELIJKING:

Hdt. 1.29-33* (Het bezoek van Solon aan Kroisos)

Uit het oordeel van Solon op de vraag van Kroisos wie als gelukkigste van alle mensen moet worden beschouwd, blijkt dat menselijk geluk betrekkelijk is. Een mens mag niet gelukkig genoemd worden voor hij zijn leven afgesloten heeft. "Hooguit kun je zeggen dat hij geluk heeft".

Eerste Stasimon

511-567*

Net als Hekabe richt het koor de blik op het verleden. Het bezingt een vergelijkbare omslag van geluk in ellende: na het binnenhalen van het houten paard sloeg vreugde over de vermeende overwinning om in paniek.

Tweede Epeisodion

568-607*

Ook Andromache wordt geconfronteerd met een omslag in haar bestaan. Ze wordt met haar zoon Astyanax in gevangenschap weggevoerd. Samen met Hekabe zingt ze een klaagzang waarin Hektor - haar man, Hekabe's zoon en Astyanax' vader - wordt aangeroepen. Hij wordt als beschermer gemist.

608-739

Liever de dood dan een ongelukkig leven?

Andromache vertelt Hekabe dat Polyxena is gestorven. Voor Andromache is onder de huidige omstandigheden de dood te verkiezen boven het leven, maar voor Hekabe geldt: zolang er leven is, is er enige hoop. Andromache probeert Hekabe te laten inzien dat dit niet opgaat voor iemand die van geluk tot ongeluk geraakt: wie dood is weet niets meer, maar wie ongelukkig leeft nadat hij eens voorspoed heeft gekend, kan die ellende maar moeilijk verdragen. Haar voorbeeldig bestaan als vrouw van Hektor is voor niets geweest. Waar voor Andromache geen hoop rest, ziet Hekabe één lichtpuntje: Andromache kan Astyanax grootbrengen en daarmee Troje een nieuwe toekomst bezorgen. Deze hoop gaat onmiddellijk verloren wanneer Talthybios meldt dat Astyanax gedood zal worden.

TEKSTEN TER VERGELIJKING:

E. Andr. 37-44*

In de Andromache heeft Euripides een andere Andromache neergezet. Zij bevindt zich als slavin aan het hof van Neoptolemos, waar zij de jaloezie van Neoptolemos' echtgenote opwekt. In deze situatie verkiest Andromache het leven boven de dood.

E. Andr. 222-228*

Wanneer Andromache haar rivale een lesje 'goede echtgenote' geeft, horen we iets meer over haar gelukkige tijd met Hektor.

740-763*

Andromache neemt afscheid van Astyanax, en beklaagt zichzelf en hem: er is voor hem geen hoop op redding meer.

764-798

Machteloze woede

Andromache's woede richt zich op de Grieken en speciaal op Helena. Ze wordt weggevoerd. Ook Astyanax wordt weggevoerd, zijn dood tegemoet. Hekabe blijft machteloos achter.

TEKST TER VERGELIJKING:

E. Andr. 387-410*

Andromache heeft als slavin en bijvrouw van Neoptolemos een zoon voor hem gebaard. Neoptolemos is inmiddels getrouwd met Menelaos' dochter, maar dit huwelijk blijft kinderloos. Uit wrok en nijd wil men moeder en kind ombrengen.

Tweede Stasimon

799-859*

Het koor denkt melancholiek terug aan goddelijke gunsten van vroeger maar verbindt aan het verlies van de oorlog de conclusie dat de goden zich definitief van Troje hebben afgewend.

Derde Epeisodion

860-1059

Het sterkere en het zwakkere argument

Helena is in de macht van Menelaos, die komt om haar mee te nemen naar Griekenland en daar te doden. Helena zoekt haar verdediging in een reeks argumenten. Hekabe verwoordt de tegenargumenten. Menelaos en Hekabe komen tot dezelfde conclusie: Helena moet gestraft worden als voorbeeld voor andere vrouwen.

TEKSTEN TER VERGELIJKING:

Gorg. Hel. 1-2; 6-9; 18-21*

De sofist Gorgias neemt de taak op zich aan te tonen dat Helena heeft gedaan wat ze heeft gedaan onder invloed van hetzij goddelijk ingrijpen, hetzij gewelddadig optreden, hetzij overreding, hetzij liefde. In alle gevallen dient zij te worden vrijgepleit. Tegenover de goden staan wij machteloos: van nature heeft de sterkere de macht over de zwakkere, en goden zijn sterker dan mensen. Als er gewelddadig optreden aan de orde is geweest, is degene die dat heeft gedaan zijn gewelddadig optreden te verwijten, en moeten wij eerder medelijden met Helena hebben. Tegenover overreding staan wij ook machteloos: het gesproken woord is een machtig heerser. En liefde? Als liefde goddelijke macht bezit, hoe kan de zwakkere die dan weerstaan? Gorgias concludeert dat Helena niets te verwijten valt.

E. Andr. 590-641*

De oude Peleus, de vader van Achilleus, protesteert tegen de onmenselijke behandeling die Andromache van Menelaos krijgt. Hij verwijt Menelaos onder meer diens weke houding tegenover Helena.

E. Andr. 680-687*

Menelaos verweert zich tegen het verwijt, dat hij veel te slap is omgegaan met zijn ontrouwe vrouw.

Ov. Her. 17.179-190* (Helena aan Paris)

Paris' woorden schieten tekort: waar Helena wellicht voor een vorm van dwang was bezweken, kan hij haar niet met woorden bewegen met hem het bed te delen.

Derde Stasimon

1060-1117*

Zeus heeft Troje in de steek gelaten. Het enige dat het koor rest is - desondanks - de wens uit te spreken dat Menelaos' schip tijdens de terugreis op zee door Zeus' bliksem wordt getroffen.

Vierde Epeisodion

1118-1157*

Neoptolemos is vertrokken met Andromache. Talthybios helpt bij het begraven van Astyanax, opdat de Grieken snel naar huis kunnen varen.

1158-1193

De hoop vervlogen

Hekabe uit haar verontwaardiging over het brute optreden van de Grieken in een aangrijpende weeklacht om de dode Astyanax.

TEKST TER VERGELIJKING:

E. Hec. 1145-1177a*

Anders dan in Troiades zien we hoe Euripides hier de wanhoop van Hekabe laat omslaan in een vernietigende woede. Deze richt zich overigens niet tegen de Grieken, maar tegen Polymestor van Thracië, de moordenaar van een van haar kinderen.

1194-1259*

Hekabe en het koor zien terug op het leed dat Troje getroffen heeft. Een aantal motieven keert terug: de dood van Hektor en van Astyanax; de wisselvalligheid van het lot; de rol van Helena en van de goden; het vergankelijkheidsmotief. De enige troost is de gedachte dat de ondergang van Troje maakt dat de roem van de stad later bezongen zal worden. Nieuwe ellende laait al weer op: het koor ziet naderende vlammen.

1260-1286

Het einde: het recht van de sterkste

Talthybios geeft opdracht de resten van Troje in brand te steken; Hekabe moet vertrekken. Zij wil nog de vlammen in lopen en met haar vaderstad omkomen. Talthybios verhindert dat: Hekabe moet als slavin worden overgedragen aan Odysseus.

TEKSTEN TER VERGELIJKING:

E. Hec. 1258-1278*

In een stichomythie tussen Hekabe en de Thraciër Polymestor voorspelt de laatste hoe het met Hekabe en met Kassandra zal aflopen.

Th. 5.116.2-4*

De Atheners hebben getracht de inwoners van het eiland Melos, dat het als een van de weinige eilanden had klaargespeeld buiten de Atheense alliantie te blijven, te bewegen hun verzet op te geven; de Meliërs hebben geweigerd. Waar woorden geen oplossing brengen, dwingt uiteindelijk een Atheense strijdmacht de Meliërs tot overgave. De Atheners vermoorden alle mannen die militaire dienst kunnen verrichten, en verkopen de vrouwen en kinderen als slaven.

Pl. Grg. 483b4-484c3*

In discussie met Sokrates stelt Kallikles dat de zwakkeren in de samenleving de regels opstellen, en zo voorkomen dat de sterkeren meer hebben dan zij. Dat is, zo zegt Kallikles, de conventie  . Zouden we echter de natuur  volgen, dan zou de sterkere de zwakkere moeten overheersen, en zou de sterkere meer dan de zwakkere moeten hebben. Kallikles kan vele voorbeelden noemen die dit 'might is right'-principe illustreren.

Exodos

1287-1332*

Het koor en Hekabe verlaten het brandende Troje, waarvan - zo vreest nu het koor - de naam roemloos zal verdwijnen.

Vaardigheden

De kandidaat kan begripsvragen over teksten uit het pensum en over de thematiek beantwoorden en deze desgevraagd onderbouwen met citaten uit de voorliggende tekst

De kandidaat kan tekstelementen aanwijzen die de opbouw en de samenhang van een Griekse tekst zichtbaar maken

De kandidaat kan een passage uit het pensum parafraseren en daarmee de essentie ervan weergeven

De kandidaat kan overeenkomsten en verschillen aangeven en toelichten tussen een Griekse tekst uit het pensum en een vertaling hiervan

De kandidaat kan kenmerkende verschillen die samenhangen met verschillen tussen het Griekse en het Nederlandse taalsysteem, aangeven en toelichten aan de hand van een Griekse tekst uit het pensum en een vertaling hiervan

De kandidaat kan vertaalde Griekse of Latijnse teksten die inhoudelijk verwant zijn met of aansluiting hebben bij de thematiek van het pensum vergelijken met teksten uit het pensum, en een beargumenteerde toelichting geven op overeenkomsten en verschillen

De kandidaat kan vorm en inhoud van een tekst uit latere tijd die inhoudelijk verwant is met of aansluiting heeft bij de thematiek op hoofdpunten kritisch vergelijken met teksten uit het pensum en een beargumenteerde toelichting geven op overeenkomsten en verschillen

De kandidaat kan – eventueel met behulp van nadere aanwijzingen met betrekking tot omvang en te gebruiken (typen van) argumenten – een gegeven stelling met betrekking tot de inhoud van een gelezen tekst beargumenteerd verdedigen of bestrijden

3 Genre

3.1 Ontstaan en ontwikkeling van de Griekse tragedie

Over het ontstaan van de tragedie is weinig met zekerheid bekend. Volgens verschillende antieke bronnen was de dichter Thespis de eerste die, rond 534, een prijs won met een tragedieopvoering. Over de vraag waar het woord 'tragedie', letterlijk 'bokkenzang', naar verwijst lopen de meningen uiteen.

De Atheense filosoof Aristoteles vermeldt dat de tragedie is ontstaan uit de dithyrambe, een koorlied ter ere van Dionysos. Blijkbaar stelde hij zich voor dat degene die voorging in de zang en dans op een gegeven moment als acteur was gaan optreden. In ieder geval is de tragedie altijd een combinatie geweest van (koor)zang en gesproken woord. In de beginperiode trad slechts één acteur  op tegenover het koor. Aischylos voerde een tweede acteur in, Sophokles ten slotte een derde.

Het merendeel van de tragedies die in de vijfde eeuw op de Dionysia zijn opgevoerd, is voor ons verloren gegaan. De stukken die we over hebben zijn van de hand van Aischylos (ca. 525-456 v. Chr.), Sophokles (ca. 495-406 v. Chr.) en Euripides (ca. 485-406 v. Chr.).

3.2 Onderdelen van de tragedie

Vaste bestanddelen:

- de proloog  : de aanvangsscène, waarin door een of meer personages de voorgeschiedenis en de beginsituatie van het drama worden uiteengezet

- de parodos  : het intochtslied van het koor

- epeisodia  , de bedrijven waarin de handeling is verdeeld, gescheiden door koorliederen

- de slotscène  : de afwikkeling van de handeling, gevolgd door het vertrek van het koor

Dikwijls terugkerende elementen:

- een bodeverhaal

- een kommos

- een stichomythie

- een agon

3.3 Tekstsoort

De tekstsoort van een tragedie is overwegend dialogisch; alle tekst wordt in de mond gelegd van personages in een gespeelde wereld. Naast gesproken dialogen en monologen zijn er ook lyrische passages, niet alleen bij het koor in de stasima, maar ook bij de acteurs. De lyrische passages werden gezongen, gedanst en muzikaal begeleid op de  .

3.4 Stofkeuze

De tragedieschrijvers putten voornamelijk uit de oude mythologische verhalen. Na eeuwenlange mondelinge overlevering waren veel van die verhalen, bijvoorbeeld over de Trojaanse Oorlog, in de 8e en 7e eeuw voor Christus opgeschreven, meestal in de vorm van een epos, een gedicht over goden en helden.

- De hoofdlijnen van zo'n verhaal werden door de tragedieschrijvers doorgaans gevolgd, maar zij namen ook de vrijheid om elementen weg te laten of nieuwe aan te brengen. Dit betekende dat de toeschouwers, ook al hadden ze, door de traditionele stofkeuze, een bepaald idee van hoe het stuk zou verlopen, telkens opnieuw in spanning zaten over hoe de dichter het bekende onderwerp vorm zou geven.

- Euripides staat erom bekend, dat hij vaak actuele kwesties en afwijkende opvattingen, zoals over godsdienst, filosofie of politiek, in zijn stukken verwerkte.

3.4.1 Bekend verondersteld worden:

- Ligging van Troje, Argos en Sparta

- Ontstaan en afloop van de Trojaanse Oorlog

- Achilleus, Agamemnon, Aias, Neoptolemos, Odysseus

- Polyxena, Hektor, Priamos, Paris (Alexandros)

- Apollo, Hephaistos, Aphrodite (Kypris)

Daarnaast worden de personages van de Troiades bekend verondersteld.

3.5 De organisatie en praktijk van de opvoeringen

De Attische tragedies uit de vijfde eeuw waren bestemd om te worden opgevoerd tijdens Dionysosfeesten. De ons bewaarde stukken zijn alle geschreven voor het belangrijkste festival: de Grote Dionysia in Athene, jaarlijks gevierd in het voorjaar.

De belangrijkste aspecten van de tragedieopvoeringen tijdens de Dionysia zijn:

- wedstrijd ter ere van Dionysos tussen drie geselecteerde dichters, die ieder met een serie van vier stukken (tetralogie) deelnemen

- toekenning van prijzen door een jury bestaande uit gewone burgers

- de dichter is tevens componist en regisseur, soms ook acteur

- bekostiging van alles wat met het koor samenhing (training en levensonderhoud in de repetitieperiode, kostuums, salaris van de  -speler) als een vorm van directe belasting  door een rijke burger die optrad als

- acteurs die betaald worden uit de staatskas

- toneelgebouw  , eisodoi, orchestra, 'publieksruimte'

-  ('deus ex machina')

- maximaal drie (mannelijke) acteurs, dubbelrollen, figuranten, 15 koorleden

- maskers

- kostumering

- muziek en dans

Vaardigheden

De kandidaat kan in een voorgelegde tekst zijn kennis van de genrekenmerken toepassen bij het interpreteren van de tekst

De kandidaat kan in een voorgelegde tekst de verschillende onderdelen van een tragedie benoemen en deze kennis toepassen bij het interpreteren van de tekst

B Cultuurreflectie

1 Euripides (ca. 485-406 voor Chr.)

Zoals bij de meeste antieke auteurs, is maar weinig met zekerheid bekend over het leven van Euripides. Hij stamde uit een bemiddelde familie vlakbij Athene. Hij ging om met de intellectuelen van zijn tijd; anders dan zijn twee voorgangers bekleedde hij geen openbare functies. Hij studeerde, naar verluidt, liever bij intellectuelen als Anaxagoras en was een vriend van Sokrates. Hij had tijdens zijn leven minder succes dan Sophokles; hij won slechts vier keer een eerste prijs. Niettemin strekte zijn roem zich uit tot in Sicilië en Makedonië, waar hij sinds 408 verbleef tot aan zijn dood. Na zijn dood kregen zijn stukken veel meer waardering dan tijdens zijn leven. Ook in onze tijd wordt Euripides door toneelgezelschappen regelmatig gespeeld.

1.2 Werken

Euripides was heel productief en schreef ca. 88 stukken, waarvan er 17 over zijn, o.a. een Andromache, een Hekabe en een Helena. Kenmerkend voor de werken van Euripides is onder meer zijn voorliefde voor vrouwelijke personages. Zijn aandacht voor extreme vrouwen is uiteenlopend geïnterpreteerd: Euripides zou een vrouwenhater zijn danwel een feminist die heroïsche individuen portretteert. Hij schotelt zijn publiek vaak levensechte personages voor die onder bovenmenselijke druk staan. Daarnaast ventileert hij graag kritiek op de traditionele voorstelling van de goden. Op dit punt deelt Euripides het rationalisme van sofisten als Gorgias en Protagoras. Tegelijkertijd heeft hij belangstelling voor het irrationele in de mens. Enig cultuurpessimisme is Euripides daarbij niet vreemd.

2 Cultuur-historische context

Athene was van 431 tot 404 verwikkeld in een verwoestende oorlog met Sparta: de Peloponnesische Oorlog. Van 421 tot 412 was er een wapenstilstand. Maar in strijd met de afspraak annexeerde Athene het eiland Melos en zond onder aanvoering van demagogen als Alkibiades in 415 een grote expeditie naar Sicilië, die uiteindelijk tot haar ondergang als grootmacht zou leiden. Athene voerde een imperialistische politiek, waarbij voor alles de Atheense hegemonie veiliggesteld moest worden. Binnen stromingen als het sofisme (tweede helft van de vijfde eeuw) werd een onverholen machtsdenken gepropageerd.

- Een rechtstreeks verband tussen Euripides' tragedies en de gebeurtenissen uit zijn eigen tijd valt moeilijk te leggen. Het feit dat de slachtoffers in Troiades zo vol mededogen en zo nadrukkelijk in hun leed geschilderd worden, zal bij het premièrepubliek in 415 wel associaties hebben opgeroepen met de ellende die oorlog voor henzelf en voor de tegenstander met zich meebracht.

Vaardigheden

De kandidaat kan vragen beantwoorden over het leven van de kernauteur voor zover dit van belang is voor het juiste begrip van de teksten uit het pensum

De kandidaat is op de hoogte van de cultuur-historische context waarbinnen de tragedie van de kernauteur gefunctioneerd heeft, en kan hiervan gebruikmaken bij het beantwoorden van de vragen. Hierbij worden de volgende termen en begrippen bekend verondersteld: sofisme, hegemonie, Peloponnesische oorlog, Melos-kwestie, Siciliaanse expeditie

C Taalreflectie

1 Taal

De omschrijving door de CEVO van de minimumkennis op het gebied van morfologie en syntaxis vormt het uitgangspunt bij de annotatie van de op het centrale examen voorgelegde authentieke (ongelezen) tekst. Daarnaast worden de volgende verschijnselen bekend verondersteld:

2 Stijl en literaire techniek

Bekend worden verondersteld de volgende termen en hun betekenis of inhoud:

- Alliteratie

- Anafora

- Assonantie

- Chiasme

- Dramatische ironie

- Enjambement

- Metafoor

- Pars pro toto

- Poëtisch meervoud

- Vergelijking

Vaardigheden

De kandidaat kan in een voorgelegde tekst de relevante stilistische verschijnselen herkennen, benoemen en bij het interpreteren van een tekst benutten

De kandidaat kan een ongeziene tekst uit een tragedie van Euripides vertalen, die qua aard, moeilijkheid en - indien mogelijk - qua thematiek nauw aansluit bij de gelezen teksten. Hierbij worden de hierboven genoemde - bij de teksten van de kernauteur frequent voorkomende - morfologische, syntactische en stilistische verschijnselen bekend verondersteld. Tevens wordt bij de annotatie de omschrijving van de CEVO van de minimumkennis op het gebied van morfologie en syntaxis als uitgangspunt genomen

Aanbevolen Secundaire Literatuur

Anne Pippin Burnett: Catastrophe Survived. Euripides' Plays of Mixed Reversal, Oxford: Clarendon Press, 1971

N.T. Croally: Euripidean Polemic. The Trojan Women and the Function of Tragedy, Cambridge: Cambridge University Press, 1994

Francis M. Dunn: Tragedy's End. Closure and Innovation in Euripidean Drama, New York, 1996

P.E. Easterling: The Cambridge Companion to Greek Tragedy, Cambridge: Cambridge University Press, 1997

A. Maria van Erp Taalman Kip: 'Euripides and Melos', in: Mnemosyne 40.3-4, 1987, 414-419

A. Maria van Erp Taalman Kip: Bokkenzang. Over Griekse tragedies, Amsterdam: Athenaeum—Polak & Van Gennep, 1997

Barbara Goward: Telling Tragedy. Narrative Technique in Aeschylus, Sophocles and Euripides, London: Duckworth, 1999

Richard Green & Eric Handley: Images of the Greek Theatre, London: British Museum Press, 1995

Irene J.F. de Jong: Narrative in Drama. The Art of the Euripidean Messenger-speeches, Leiden: Brill, 1991

H.D.F. Kitto: Greek Tragedy. A Literary Study, London, 1966 (repr. 1961)

Ewald Kurtz: Die bildliche Ausdrücksweise in den Tragödien des Euripides, Heuremata VII, Amsterdam: Grüner, 1985

Ann N. Michelini: Euripides and the Tragic Tradition, Madison Wisconsin: The University of Wisconsin Press, 1987

Nancy Sorkin Rabinowitz: Anxiety Veiled. Euripides and the Traffic in Women, Ithaca: Cornell University Press, 1993

Oliver Taplin: Greek Tragedy in Action, London: Methuen, 1978

David Wiles: Tragedy in Athens. Performance Space and Theatrical Meaning, Cambridge: Cambridge University Press, 1997

Bijlage 2

Syllabus CE Latijn 2004

Kernauteur: Cicero

Genre: Filosofisch proza

Titel: Tussen domus en forum

Cicero over individu en samenleving

aanbevolen editie: De officiis ed. M. Winterbottom OCT 1994; De finibus ed. L.D Reynolds OCT 1998; Laelius de amicitia ed. K. Simbeck, O. Plasberg BT 1917 (1997); De Republica ed. K. Ziegler BT 71969 (1992); De domo sua ed. R.G. Nisbet OCT 1939; Pro Sestio ed. W. Peterson 1910; Ad familiares ed. D.R. Shackleton Bailey 1988 Ad Atticum ed. L.C. Purser (e.a.) 1901-03 (1961-65)

8A Tekstreflectie

1 Thematiek

Cicero heeft niet alleen in de praktijk voldaan aan het antieke ideaal dat de ware burger zich inzet voor de samenleving, hij heeft er ook uitvoerig over gereflecteerd in de filosofische werken die hij in perioden van gedwongen otium schreef. Daarin zet hij zijn eigen opvattingen over de levensplichten af tegen die van denkers die zeggen dat een wijs mens zich ver van het woelige forum dient te houden. De verheerlijking van de politiek actieve mens heeft een hoogtepunt in het Somnium Scipionis, maar ook in andere geschriften komt Cicero op het thema terug, bijvoorbeeld in De officiis. Beschouwende passages in zijn redevoeringen, bijvoorbeeld de Pro Sestio, tonen aan hoe het onderwerp Cicero ter harte ging.

Van Cicero is ook een uitgebreide privé-correspondentie bewaard - uniek voor de oudheid. Uit deze collectie met brieven aan zijn familieleden en vrienden blijkt opnieuw zijn publieke engagement. Anderzijds komt hierin naar voren hoezeer hij zich betrokken voelde bij het wel en wee van familie en vrienden. De blik op het privé-leven die deze brieven ons bieden, stelt ons in staat de mens achter de publieke figuur te leren kennen.

De thematiek nodigt uit tot nadenken over de taak van het individu in de privé-sfeer en in het openbare leven.

2 Pensum

( De met een asterisk gemarkeerde passages worden in vertaling gelezen)

Off. 1. 68-69; 70-71*; 72-73

De waardering van het politieke beroep

Hoe is een actief leven in de openbaarheid te rijmen met een filosofisch streven naar 'tranquillitas animi' en 'securitas'?

De geest moet vrij zijn van excessieve emoties. Om tranquillitas animi en securitas te bereiken, hebben velen besloten zich terug te trekken uit het openbare leven. Toch is het voor het algemene belang beter en ook eervoller zich in dienst van de samenleving te stellen. Hierbij kan en moet men een filosofische levenshouding aannemen.

Off. 1. 103-106

Passende ontspanning

Is ontspanning wel toegestaan?

Alle impulsieve handelingen moeten worden beteugeld, zodat het uitvoeren van de plichten serieus en weloverwogen gebeurt. Alleen humor van niveau is toegestaan, evenals eervolle ontspanning en een beetje plezier. De mens moet uitblinken op dat punt waarin hij zich onderscheidt van de dieren, namelijk de menselijke rede, door Cicero ratio genoemd. Daarom zijn lichamelijke genoegens verwerpelijk. Maar voor wie zwak is geldt het tweede advies: geniet met mate.

Tekst ter vergelijking(1)

Hdt. 2. 173 Amasis*.

Wanneer zijn vrienden hem erop wijzen dat zijn manier van ontspannen wel erg 'onkoninklijk' is, verdedigt Amasis zich met het spreekwoord 'de boog kan niet altijd gespannen zijn'. Hij gaat hiermee veel verder dan de ascetische Cicero.

(1) De teksten ter vergelijking zijn ter verdieping van de thematiek / de vraagstelling die bij de passage is geformuleerd, of om de betreffende passage van Cicero te verdiepen, toe te lichten, reliëf te geven enz.

Off. 1. 114-116*; 117-119; 120-123*

Beroepskeuze

Door welke factoren moet je je laten leiden bij de keuze van een beroep?

Bij de keuze van het beroep moet men zijn eigen kwaliteiten en tekortkomingen (bona et vitia) onderkennen. Maar naast het persoonlijke aspect, door Cicero ingenium of natura genoemd, en het feit dat de mens een ratio heeft, zijn de omstandigheden (casus aut tempus / fortuna) bepalend en de eigen wil (iudicium nostrum / nostra voluntas). De keuze van een beroep kan erfelijk bepaald zijn, maar dat hoeft niet. Op het moment waarop iemand zijn carrièrerichting kiest, is hij eigenlijk nog te jong om een weloverwogen keuze te maken. De adolescent kiest een levensstijl die hij bewondert, waarbij hij zich laat leiden door het advies van de ouders of de voorkeur van de massa. Daardoor komen slechts enkelen op de juiste plek terecht. Blijkt de keuze fout te zijn, dan moet de levensstijl worden bijgesteld. Wanneer iemand zijn vader imiteert, moet hij alleen zijn goede kwaliteiten imiteren voor zover deze passen bij zijn natura. Elke natura moet de virtutes (iustitia, fides, liberalitas, modestia en temperantia) betrachten. De plichten van de jeugd en de ouderen zijn verschillend.

Teksten ter vergelijking:

Mart. 5. 56*

Martialis wijst alle adviezen van de hand van geleerden bij de beroepskeuze van een kind en hanteert een ander criterium waarbij de aanleg toch ook een rol speelt.

Mart. 3. 38 *

Niet iedereen ambieert een beroep dat eervol is. Een streven naar roem en geld speelt ook wel een rol.

Hor. Carm. 1. 1*

Iedereen heeft op persoonlijke gronden waardering voor een bepaald beroep en floreert in het beroep dat hij verkiest.

Juv. 8. 269-275*

De erfelijkheid van een goed karakter wordt gerelativeerd; een beroemde vader is zeker geen garantie voor een edel nageslacht.

Off. 1. 150-152

Waardering van de verschillende beroepen

Welke beroepen zijn al dan niet eervol en waarom?

Een beroep is sordidus als bij de uitvoering ervan weinig tot geen intellect, geen moed of bescheidenheid nodig is en het weinig tot geen nut voor de samenleving heeft. Een beroep is liberalis en honestus, als het wel berust op één van de vier kardinale deugden: sapientia, iustitia, fortitudo en temperantia, die Cicero hier cognitio, communitas, magnanimitas en moderatio noemt.

Off. 3. 1-4*

Otium en solitudo

Is er een relatie tussen de manier waarop je je leven invult en je dienstbaarheid aan de samenleving?

Cicero probeert zijn gedwongen otium en solitudo te dragen naar het voorbeeld van Scipio Africanus, maar ziet een verschil tussen zijn lot en Scipio's zelf verkozen situatie. Cicero probeert zijn otium productief te maken door zich aan het schrijven te wijden en laat niet toe dat solitudo hem lui maakt. Scipio Africanus verdient volgens Cicero meer lof, omdat hij zich ook tijdens zijn otium zich bezig hield met staatszaken en zo geen last had van solitudo.

Am. 20* Est enim amicitia... ; 21-23; 24*

Andere waarden I: vriendschap

Een leven in dienst van de samenleving is een zinvol, welbesteed leven, en brengt daarom geluk. Hoe verhoudt dat geluk zich tot het 'kleine geluk', zoals een vriendschap tussen individuen?

Vriendschap is een consensus over alle goddelijke en menselijke zaken met onderlinge welwillendheid en affectie. Na ratio is het misschien wel het mooiste waarmee de goden de mens begiftigd hebben (ver) boven divitiae, bona, valitudo, potentia, honores en voluptates. De virtus en amicitia zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Laelius geeft een aantal praktijkvoorbeelden, somt de voordelen van amicitia op en concludeert dan dat amicitia geluk mooier maakt en ongeluk beter te verdragen. Door amicitia ben je als het ware een deel van de ander, zelfs na de dood. De kracht van amicitia valt verder goed te begrijpen door de vergelijking met de kracht van discordia: het ene brengt alles samen en het andere laat alles uiteen vallen. Daarom wordt een vriendendienst door de samenleving zeer toegejuicht.

Fin. 2. 63-65

Summum bonum

Wat is het summum bonum? Het individuele geluk van de levensgenieter of de ultieme vaderlandsliefde?

Op het eerste gezicht lijkt dolor het summum malum te zijn en voluptas het summum bonum. Lucius Thorius Balbus wordt opgevoerd als iemand die aan zijn cupiditates geen andere grens stelde dan satietas. Maar volgens Cicero plaatst Virtus Marcus Atilius Regulus op een hoger plan, die zijn vaderland niet opoffert voor zijn eigen lijfsbehoud.

Teksten ter vergelijking:

Mart. 10. 47*

Bij Martialis wordt het klein huiselijk geluk geprezen ver weg van het forum.

Hor. Carm. 1. 4*

Bij de overgang van de winter naar de lente bloeit alles weer op. Toch verbiedt de korte duur van het aardse leven de mens veel te verwachten, want de dood maakt geen enkel onderscheid tussen arm en rijk.

Rep. 6. (Somnium Scipionis) 9-10*, 11, 12*, 13-17, 18-19*, 20-23, 24*, 25, 26-28*, 29

Politiek en roem

Welke beloning valt de staatsman ten deel?

In de droom van Scipio Minor laat zijn overleden grootvader Scipio Maior hem zien welk lot de politicus in het algemeen en hemzelf in het bijzonder wacht. Hij neemt hem als het ware mee op een reis door het heelal en gunt hem daarmee een blik in de toekomst. Voor de politicus die zich heeft ingezet voor de staat en deze heeft beschermd is een plaats in de hemel gereserveerd, waar de onsterfelijke ziel een eeuwig 'leven' zal genieten nadat deze zich heeft bevrijd uit het lichaam. Wanneer Scipio Minor daar ook de ziel van zijn gestorven vader opmerkt, wil hij het liefst meteen naar deze plek komen. Hij zal echter eerst zijn taak op aarde moeten volbrengen. Vervolgens licht Scipio Maior de constellatie toe en de harmonie der sferen. Wanneer Scipio Minor zich de nietigheid van de aarde bewust wordt, wordt hem ook de waarde van aardse roem duidelijk, afgezet tegen de eeuwige beloning die de mensen hier wacht. De snelste weg hierheen is een leven gericht op de goede zaken, waarvan de zorg voor het welzijn van het vaderland de allerbeste is.

Teksten ter vergelijking:

Juv. 7 188-202*

Alleen het lot is bepalend voor het levensgeluk van de mens.

Pl. Tht. 176 a4-b3*

Het kwade kan alleen maar op aarde zijn; daarom moet men proberen zo snel mogelijk hiervandaan in het hemelse verblijf te komen. Bij leven kun je al het hemelse bereiken door te proberen godgelijk te worden op het gebied van rechtschapenheid en vroomheid met inzicht.

Dom. 73-76

Roem en de samenleving I

Is de waardering van de massa belangrijk voor het zelfbeeld?

Cicero geniet van de roem en lof die hij - teruggeroepen uit ballingschap - van alle kanten en uit alle lagen van de bevolking krijgt toegezwaaid.

Teksten ter vergelijking:

Sen. Ep. 79 c.11-18*

Roem is de schaduw van verdienste.

Juv. 8. 231-244*

Mensen van adel zijn niet per se edel. Cicero is een voorbeeld van een man die niet edel van geboorte is, maar wel van karakter. Zo blijkt hij toch de nagestreefde roem bij het nageslacht te hebben gekregen.

Sest. 136-139; 140-143*

Roem en de samenleving II

Is persoonlijke roem alleen te verkrijgen door dienst aan de samenleving?

Cicero spoort de jeugd aan naar het voorbeeld van de voorouders deel te nemen aan de politiek teneinde roem van de edelsten en besten te verwerven, omdat dienstbaarheid aan de samenleving op het hoogste niveau het enige - moeizame - pad is dat leidt naar ware roem. De senaat is immers verantwoordelijk voor het welzijn van de republiek en kan daarom alleen bemand worden door de besten uit de hoogste rang. Het leven van een goed politicus staat in dienst van het algemeen belang waarbij problemen niet uit de weg gegaan worden. Deze politicus voert zijn beleid met auctoritas, fides, constantia en magnitudo animi. Angst voor het slechte lot van een politicus - zoals dat van Cicero zelf - mag hem niet ontmoedigen: slechts bij hoge uitzondering treft een goed politicus zo'n onverdiend lot. Goede politici, zoals Hannibal, die in de geschiedenis ten onrechte door hun tijdgenoten gestraft zijn en tijdens hun leven niet al in ere hersteld zijn, zijn niettemin door het nageslacht gerehabiliteerd en worden nu ver buiten hun vaderland geëerd. Zo geldt ook voor de Romeinen dat degenen die de vrijheid van de republiek verdedigd hebben onder de onsterfelijke goden zijn opgenomen. Op deze onsterfelijke roem moet de goede politicus zich richten, wanneer hij zijn vaderland verdedigt in dienst van de senaat voor het welzijn van het volk.

Teksten ter vergelijking:

Juv. 10. 108-132*

Ambitieuze mensen met kwaliteiten komen vaak slecht aan hun einde.

Hor. Carm. 3. 30*

Horatius is ervan overtuigd met zijn lyrische gedichten onsterfelijke roem vergaard te hebben.

Erasmus Lof der Zotheid 27-28*

Streven naar roem op allerlei gebieden is de drijfveer tot de grootste daden, hoewel de filosofen dit streven altijd hebben afgekeurd.

Sest. 98

Cum dignitate otium

Kent een politicus ooit rust?

Alle gezonde, goede en gelukkige mensen streven één ideale vorm van ontspanning na, maar alleen de ware politicus is in staat cum dignitate otium voor zich te effectueren.

Fam. 5. 12 1-3; 12 8-10*

Je kunt je streven naar roem ook overdrijven.

Streven naar roem I

De historicus Lucceius wordt door Cicero aangespoord haast te maken met het aangekondigde werk waarin onder meer de daden van Cicero beschreven worden. Daarnaast geeft hij hem suggesties voor de compositie en vraagt hem de waarheid desnoods geweld aan te doen teneinde Cicero's persoon te verheerlijken.

Tekst ter vergelijking:

Cic. Arch. 26-30*

Iedereen streeft naar roem, ook de filosofen die in hun werken aardse roem geringschatten. Cicero meent dat virtus roem als beloning verdient voor de inspanningen en risico's die zij opzoekt.

Fam. 14. 4 1-4 spero fore semper nostrum...; 4-6*

Fam. 14. 20

Andere waarden II: huwelijk

Een leven in dienst van de samenleving is een zinvol, welbesteed leven, en brengt daarom geluk. Hoe verhoudt dat geluk zich met het 'kleine geluk' binnen het gezin?

In brief XIV 4 schrijft Cicero aan zijn vrouw Terentia vanuit zijn ballingsoord. Hij is erg vol van zijn eigen lot, maar ook bezorgd om het lot van zijn vrouw en kinderen.

In brief XIV 20 is de toon veel zakelijker. Het is opvallend hoe de brieven aan zijn vrouw, zo emotioneel toen hij nog in ballingschap leefde, na zijn ballingschap steeds korter en minder hartelijk worden.

Fam. 15. 4 1*; 13-15*

Fam. 15. 5*

Fam. 15. 6*

Streven naar roem II

Is roem hetzelfde als populariteit?

In brief 15. 4 vraagt Cicero aan Cato - bij wijze van vriendendienst - zijn verzoek om een supplicatio en triumphus aan de senaat krachtig te steunen. In zijn argumentatie zegt Cicero dat hij weliswaar voor zichzelf onderkent dat het een loos eergebaar is van het volk, maar dat hij het nu toch een belangrijk signaal vindt voor de publieke beeldvorming. Het antwoord hierop in brief 15. 5 is afwijzend. In brief 6 uit Cicero zijn teleurstelling.

Fam. 4. 5*

Fam. 4. 6*

DRN 1.9*

Andere waarden III: kinderen

Wat is de betekenis van de samenleving bij een groot persoonlijk verlies?

Brief 4. 5 is een troostbrief aan Cicero voor het verlies van zijn dochter Tullia, waarop Cicero in brief 4. 6 zelf reageert.

De vroege dood van zijn dochter Tullia betekende een ramp in het persoonlijke leven van Cicero. Toch klinkt ook in dit verdriet een vermenging van persoonlijk en politiek leven door. Vroeger zocht Cicero, zo schrijft hij, bij Tullia troost voor de zorg en het verdriet om de staat. Maar nu kan hij zich niet tot de staat wenden om persoonlijk verdriet te vergeten. De staat, in handen van één man, staat niet meer voor hem open.

Ook in het begin van de De rerum natura maakt Cicero duidelijk dat zijn filosofische activiteit mede bedoeld is om hem te troosten bij het verlies van zijn dochter.

Att. 3. 10*

Att. 12. 14 3

Streven naar roem gefrustreerd

Maakt Cicero zijn filosofische idealen ook in de praktijk waar?

Brief 3. 10 en 12. 14 zijn voorbeelden waarin Cicero vol zelfbeklag schrijft over zijn positie in ballingschap.

In het kader van het leven van Cicero wordt nog in vertaling gelezen:

Plu. Cic. c. 2, 6, 8, 30-33*

Sen. Suas. 6. 17* Cicero's dood (een citaat uit Livius CXX)

Cic. Off. 1. 57* Sterven voor je vaderland gaat boven alles

Vaardigheden

De kandidaat kan begripsvragen over de thematiek en over teksten uit het pensum beantwoorden en desgevraagd onderbouwen met citaten uit de voorliggende tekst. De kandidaat moet daarbij de volgende termen zonder toelichting of uitleg kunnen hanteren: tranquillitas animi, securitas, ratio, virtus, de virtutes: sapientia, iustitia, fortitudo, temperantia, summum bonum, summum malum, otium, negotium

De kandidaat kan in een Latijnse tekst elementen aanwijzen die de opbouw en de samenhang van die tekst zichtbaar maken

De kandidaat kan een passage uit het pensum parafraseren en daarmee de essentie ervan weergeven

De kandidaat kan overeenkomsten en verschillen aangeven en toelichten tussen een Latijnse tekst uit het pensum en een vertaling hiervan

De kandidaat kan kenmerkende verschillen, die samenhangen met verschillen tussen het Latijnse en het Nederlandse taalsysteem, aangeven en toelichten aan de hand van een Latijnse tekst uit het pensum en een vertaling hiervan

De kandidaat kan de inhoud van vertaalde Griekse of Latijnse teksten die inhoudelijk verwant zijn met of aansluiting hebben bij de thematiek van het pensum vergelijken met teksten uit het pensum en een beargumenteerde toelichting geven op overeenkomsten en verschillen

De kandidaat kan vorm en inhoud van een tekst uit latere tijd die inhoudelijk verwant is met of aansluiting heeft bij de thematiek op hoofdpunten kritisch vergelijken met teksten uit het pensum en een beargumenteerde toelichting geven op overeenkomsten en verschillen

De kandidaat kan - eventueel met behulp van nadere aanwijzingen met betrekking tot omvang en te gebruiken (typen van) argumenten – een gegeven stelling met betrekking tot de inhoud van een gelezen tekst beargumenteerd verdedigen of bestrijden

2 Genre & Tekstsoort

De teksten in dit pensum behoren tot drie verschillende literaire genres: de brief, de redevoering en het filosofisch proza. Verreweg het grootste gedeelte behoort tot dit laatste genre.

2.1 Cicero's filosofisch proza

Cicero was zich ervan bewust dat hij geen filosofisch systeem ontwierp. Zijn originaliteit bestond uit iets anders: hij maakte de Griekse filosofie toegankelijk voor zijn Romeinse tijdgenoten. Hij is geen aanhanger van één bepaalde filosofische richting, maar kiest uit de verschillende Griekse scholen die elementen die hem aanspreken: hij is een eclecticus.

Cicero heeft het Latijn geschikt gemaakt voor het weergeven van filosofische begrippen. Om een Latijnse filosofische terminologie te creëren heeft hij reeds ingeburgerde Griekse woorden behouden (bijvoorbeeld aether) en Griekse woorden door bestaande Latijnse woorden vervangen  = ratio). Veel van de door Cicero ingevoerde termen zijn gangbaar geworden in de westerse filosofie.

Cicero is als filosoof in het verleden vaak negatief beoordeeld, omdat hij geen zelfstandig filosoof was of omdat hij zijn Griekse bronnen nogal eens niet begrepen of onjuist weergegeven zou hebben. In de laatste tijd evenwel is er toenemende waardering voor zijn zelfstandig oordeel over de verschillende filosofische stromingen en zijn heldere presentatie daarvan.

2.2 Tekstsoort: de dialoog

In navolging van zijn Griekse voorbeelden kiest Cicero voor zijn filosofische geschriften de vorm van de dialoog. Er is echter een belangrijk verschil. Bij Plato is sprake van een echt filosofisch gesprek, waarin de gesprekspartners elkaar via vragen en antwoorden proberen te overtuigen. De dialogen van Cicero daarentegen bestaan voor het grootste gedeelte uit lange monologen. Het zijn argumentatieve betogen, slechts af en toe onderbroken door een opmerking van een van de gesprekspartners. Deze lange afgeronde exposé's zijn verdeeld over de afzonderlijke boeken van de dialoog en worden steeds ingeleid door een prooemium.

De dialogen zijn gefingeerde gesprekken tussen doorgaans belangrijke personen uit het Romeinse politieke en culturele leven, gesitueerd op een bepaalde plaats (bijvoorbeeld Cicero's landhuis in Tusculum) en op een bepaald tijdstip.

Vaardigheden

De kandidaat kan in een voorgelegde tekst de genrekenmerken benoemen en deze kennis toepassen bij het interpreteren van de tekst

De kandidaat kan in een voorgelegde tekst de kenmerken van de tekstsoort benoemen en deze kennis toepassen bij het interpreteren van de tekst

B Cultuurreflectie

1 Leven van de kernauteur

Cicero's opvattingen reflecteren de ervaringen opgedaan in een leven vol negotium. Hij was als homo novus in het nadeel wat betreft zijn carrièremogelijkheden ten opzichte van de nobiles vanwege zijn afkomst uit de lokale aristocratie van een Italische stadje (Arpinum), zijn status van eques en de familiebanden met plaatsgenoot Marius. Deze was uit de gratie in de periode van Sulla, toen Cicero in het openbare leven verscheen.

Cicero's vader bezorgt hem de beste leermeesters in retoriek, recht en welsprekendheid in Rome en later in het Griekse oosten. Telkens suo anno bereikt hij de ambten van de cursus honorum, wat voor een homo novus een bijzondere prestatie is: zijn quaestuur op Sicilië (75) maakt hem tot patronus van de eilandbewoners, voor wie hij het opneemt in het proces tegen gouverneur Verres in redevoeringen die Cicero tot de meest vooraanstaande redenaar van Rome maken. Tijdens zijn praetuur (66) zet hij zijn welsprekendheid in om Pompeius het commando tegen koning Mithradates te bezorgen. Hij zal steeds proberen aan de zijde van deze machtige politicus en andere optimates te verkeren. In hun ogen bleef Cicero echter toch de nieuwkomer, hoogstens bruikbaar als hun instrument. In 63 wordt Cicero met brede steun tot consul gekozen, de eerste homo novus sinds 94 die dat voor elkaar krijgt. Zijn optreden tegen de samenzwering van Catilina tijdens dat consulaat maakt hem – vooral in eigen ogen – tot redder van het vaderland, maar later breekt het hem op dat hij de bijzondere volmacht die de senaat hem gegeven had, het senatus consultum ultimum, als vrijbrief gebruikte om vijf Catilinariërs te laten executeren. Een persoonlijke campagne van Clodius dwingt Cicero Rome te ontvluchten. Zijn huis op de Palatijn, de elitewijk van Rome, wordt verwoest en op de plaats wordt een heiligdom voor Libertas ingericht. Op instigatie van Pompeius en Milo keert hij al na een jaar triomfantelijk in Rome terug. Hij wordt gerehabiliteerd en gecompenseerd, maar de politieke rol die hij zichzelf had toebedacht, is niet voor hem weggelegd. Af en toe mag hij zijn redenaarstalent gebruiken om aanhangers van Pompeius of Caesar te verdedigen. Hij voelt zich sterk aangetast in zijn dignitas, zoals zijn brieven aantonen. Om dit gedwongen otium enige dignitas te verlenen schrijft hij zijn eerste retorische en filosofische werken, De oratore en De republica.

In 51 wordt hij proconsul van Cilicia en behaalt zowaar een militair succes, tegen regionale bandieten. Bij zijn terugkeer in Rome levert het hem slechts een supplicatio en niet de vurig gewenste triumphus op. Alles wordt overschaduwd door de oplopende spanning tussen Pompeius en Caesar, die in januari 49 de Rubico oversteekt. Cicero aarzelt lang, voordat hij zich uiteindelijk aansluit bij de Pompeianen, die naar Griekenland zijn uitgeweken. Hen ziet hij toch als de verdedigers van de republikeinse vrijheid. Na de slag bij Pharsalus (48) onderwerpt hij zich aan de clementie van Caesar. Dan breekt een tweede periode van otium aan. In luttele jaren produceert hij dan een groot aantal vooral filosofische werken, waaronder de Tusculanae Disputationes, De amicitia en De officiis. In deze tijd wordt ook het dertigjarige huwelijk met Terentia ontbonden en sterft Cicero's teerbeminde dochter Tullia (45).

Na de moord op Caesar in 44 lukt het hem – zij het slechts korte tijd - een centrale rol te spelen als 'elder statesman' en adviseur van de jeugdige Octavianus. In een reeks heftige redevoeringen, door hemzelf de Philippicae genoemd, vaart hij uit tegen Marcus Antonius. Maar in 43 vormt Octavianus met Marcus Antonius (en Lepidus) een pact, het tweede driemanschap. Zoals in de tijd van Sulla worden door middel van proscripties aanzienlijken uit de weg geruimd. Octavianus offert Cicero op aan de goede verstandhouding met Marcus Antonius. Bij een halfslachtige vluchtpoging, waarbij zijn slaven tot het laatst bij hem blijven, wordt Cicero op 7 december 43 door Antonius' soldaten afgemaakt.

Vaardigheden

De kandidaat kan vragen beantwoorden over het leven van de kernauteur voor zover dit van belang is voor het juiste begrip van de teksten uit het pensum. De kandidaat moet daarbij de volgende namen en termen zonder toelichting of uitleg kunnen hanteren: Terentia, Tullia, Atticus, Marius, Sulla, Pompeius, Caesar, dignitas, homo novus, eques, cursus honorum, optimates, nobiles, triumphus, supplicatio

De kandidaat is op de hoogte van de cultuur-historische context waarin de tekst van de kernauteur gefunctioneerd heeft, en kan deze kennis toepassen bij het beantwoorden van vragen naar aanleiding van een voorgelegde tekst.

C Taalreflectie

1 Taal

De periode is een opvallend verschijnsel in Cicero's proza.

2 Stijl

- alliteratie

- retorische vraag

- metafoor

- anafora

- tricolon/climax

- asyndeton

- hyperbaton

Vaardigheden

De kandidaat kan in een voorgelegde tekst de stilistische en retorische middelen benoemen en deze kennis toepassen bij het interpreteren van de tekst

De kandidaat kan een ongeziene authentieke tekst vertalen, die qua aard, moeilijkheid en -indien mogelijk- qua thematiek nauw aansluit bij de gelezen teksten. Hierbij worden de hierboven genoemde -bij de teksten van de kernauteur frequent voorkomende- morfologische, syntactische en stilistische verschijnselen bekend verondersteld. Tevens wordt bij de annotatie de omschrijving van de CEVO van de minimumkennis op het gebied van morfologie en syntaxis als uitgangspunt genomen

Pijl omhoog