Septembermededeling 2006: toelichting woordenboek Nederlands

Met ingang van het centraal examen 2007 is een verklarend woordenboek Nederlands toegestaan bij alle schriftelijke centrale examens.

Hieronder volgt eerst een aantal regels, daarna een nadere toelichting:


  • a. 
    Bij praktijkexamens (de cspe's beroepsgericht BB en KB, en de cpe's beeldend in GL/TL en vwo) is het gebruik van een woordenboek niet toegestaan.
  • b. 
    Toegestaan is een ééndelig verklarend Nederlands woordenboek. Een digitaal woordenboek is niet toegestaan.
  • c. 
    In plaats van het verklarend woordenboek Nederlands is ook een woordenboek van het Nederlands naar een vreemde taal toegestaan.
  • d. 
    Ook bij via de computer afgenomen schriftelijke examens is het papieren woordenboek toegestaan. Dit met uitzondering van de digitale minitoetsen cspe beroepsgericht BB en KB, die (als theoriedeel) onderdeel zijn van een praktijkexamen.
  • e. 
    Bij de centrale examens Fries, de moderne vreemde talen en de klassieke talen is (al eerder) een woordenboek van en naar de andere taal toegestaan. De toelating van een verklarend woordenboek Nederlands (naast het al toegestane woordenboek naar en van de andere taal) geldt ook voor deze examens.
  • f. 
    Bij de onderdelen van het centraal examen waar de spelling van het Nederlands wordt beoordeeld (in het centraal examen Nederlands van alle schooltypen en leerwegen) geldt de officiële spelling van de Nederlandse taal. In 2007 worden schrijfwijzen volgens de spelling van 1995 niet fout gerekend.
  • g. 
    De betekenis van een vakterm, voortvloeiend uit het examenprogramma, kan in een examenvak anders zijn dan in een algemeen woordenboek. De kandidaat wordt geacht de betekenis te kennen die geldt binnen het vak, en kan zich niet beroepen op een afwijkende of meer algemene omschrijving in het woordenboek.

Toelichting per onderdeel:

  • a. 
    De beroepsgerichte examens GL zijn op dit moment schriftelijke examens, daar is net als bij alle andere schriftelijke examens het woordenboek als hulpmiddel wel toegestaan. De minitoetsen in het cspe maken onderdeel uit van een praktijkexamen; bij de minitoetsen is een woordenboek dan ook niet toegestaan.
  • b. 
    Als een kandidaat door een zeer ernstige beperking niet met een papieren woordenboek kan omgaan (bladeren in een braillewoordenboek is erg lastig) kan de school zich wenden tot de inspectie. Omdat een dyslectische kandidaat op zichzelf in staat kan worden geacht in een papieren woordenboek zijn weg te vinden, omdat tijdverlenging mogelijk is en omdat het uitgangspunt is dat slechts een enkel woord per examenzitting wordt opgezocht, is dyslexie op zichzelf geen reden voor ontheffing van deze regel.
  • c. 
    Wellicht zijn er kandidaten die niet Nederlands als thuistaal hebben, en die de voorkeur geven aan een woordenboek vanuit het Nederlands naar hun thuistaal. Ten opzichte van een verklarend woordenboek heeft zo'n woordenboek voor de kandidaat zowel voordelen als beperkingen. Beide gebruiken mag echter niet: bij alle vakken met uitzondering van Fries, klassieke talen en moderne vreemde talen (zie e.) ligt op de tafel van de kandidaat ten hoogste één woordenboek.
  • d. 
    Wellicht wordt in de toekomst een woordenboek ''ingebakken'' in de digitale examens, maar op dit moment is een papieren woordenboek naast de computer geoorloofd en hanteerbaar.

Toelichting algemeen

Het woordenboek is een vanzelfsprekend en natuurlijk hulpmiddel in het voortgezet onderwijs. De ervaringen bij de examens in de talen laten zien dat het woordenboek als hulpmiddel bij schriftelijke examens voor de school organiseerbaar is, en door kandidaten als ruggensteun in het algemeen als prettig wordt ervaren.

De examens zijn op grond van de invoering van het woordenboek niet aangepast. Er worden niet meer moeilijke woorden gebruikt, en waar in het verleden een te moeilijk geacht woord in een voetnoot werd verklaard, blijft die praktijk gehandhaafd.

Zoals bij alle toegestane hulpmiddelen geldt ook bij het woordenboek dat verkeerd gebruik bij het centraal examen leidt tot risico's voor de kandidaat. Wij noemen hier enkele:

Tijdgebrek

Toen in 1999 het woordenboek werd toegestaan bij de examens in de moderne vreemde talen, kwamen op een aantal scholen kandidaten in tijdnood doordat zij te veel woorden opzochten, misschien alleen voor de zekerheid. De kandidaat wordt geacht over een voldoende woordenschat te beschikken, over voldoende kennis van de vaktermen die bij het vak relevant zijn, en over een adequate strategie om met de begrensde tijd om te gaan. Het woordenboek is een adequaat middel bij een enkel woord waarbij hij twijfelt. Zoekt hij te veel woorden op (ook woorden die hij meent te kennen maar waarbij hij zekerheid zoekt), dan loopt hij het risico van tijdnood. Door vooraf bij het maken van oude examens het gebruik van het woordenboek te oefenen, kan de kandidaat ervaren hoe hij binnen de beperkte examentijd het woordenboek op de beste manier kan inzetten.

Vaktermen

Zoals bij de regels al aangegeven, zijn en blijven de "erkende'' vaktermen bij het centraal examen gewoon geldig. In de regels voor beoordeling van het examenwerk zal dit expliciet worden aangegeven. "Integreren'' heeft bij wiskunde vwo een andere betekenis dan in politiek en zakwoordenboek, eentonigheid heeft bij muziek een zeer specifieke betekenis. Ook tussen woordenboeken onderling kunnen de betekenissen verschillen, een lijvig woordenboek zal eerder, naast andere betekenissen, een meer vakspecifieke betekenis bevatten. Een algemene regel over de bruikbaarheid van het woordenboek kan niet worden gegeven. Maar de kandidaat moet zich ervan bewust zijn dat als de woordenboekomschrijving afwijkt van de vakterm die in het examenprogramma en in het correctievoorschrift wordt gehanteerd, een beroep op het naslagwerk om dit antwoord toch goed te laten rekenen, zinloos is. Dat geldt ook als de omschrijving in het woordenboek niet zozeer afwijkt maar ten opzichte van de vakeisen te ruim is.

Ook hier kan de kandidaat door oefening met oude examens het risico van betekenisverwarring ervaren.

Antwoorden die lijken te worden weggegeven

Het kan zijn dat een kandidaat zonder enige inhoudelijke kennis het antwoord op een examenvraag weet op te maken uit de omschrijving van een begrip in het woordenboek. Dat is niet zozeer een risico als wel een voordeel voor de kandidaat. De kandidaat doet er niet verstandig aan zich op grond hiervan rijk te rekenen. Om te beginnen gaat het bij veel vragen eerder over de toepassing van het begrip dan de omschrijving ervan. Verder loopt de kandidaat de eerder genoemde risico's: tijdgebrek bij het opzoeken van te veel woorden, of het missen van een specifieke vakterm. Ook worden examenvragen soms gesteld in de vorm ''wat is volgens dit artikel de betekenis van....?" Dan kan een beroep op het woordenboek in plaats van het artikel tot een ander, foutief antwoord leiden.

Toegestaan of verplicht?

In de toelichting op de Regeling Toegestane Hulpmiddelen is beschreven hoe het zit met ''toegestaan'' of ''verplicht''. Alle in de regeling vermelde hulpmiddelen zijn toegestaan, niet verplicht. De kandidaat die een hulpmiddel niet bij zich heeft, hoeft niet de toegang tot het examen worden ontzegd. In die zin is geen enkel hulpmiddel noodzakelijk. Of het hulpmiddel inhoudelijk noodzakelijk is, varieert van vak tot vak en van kandidaat tot kandidaat. Atlas of grafische rekenmachine zijn bij aardrijkskunde havo/vwo resp wiskunde havo/vwo vrijwel onontbeerlijk, of een examen maatschappijleer zonder woordenboek goed te maken is hangt onder meer af van de woordenschat van de kandidaat. De school kan kiezen tussen twee handelwijzen. De eerste legt de verantwoordelijkheid voor het meenemen van het hulpmiddel bij de kandidaat. Als deze meent het examen zonder woordenboek, rekenmachine of atlas te kunnen maken, is dat zijn keus en wellicht zijn probleem. Bij de tweede handelwijze zorgt de school voor het hulpmiddel en legt voor elke kandidaat een woordenboek op tafel. Als bij deze laatste handelwijze de school een kandidaat de toegang tot het woordenboek ontzegt (door het niet klaar te leggen), dan kan de kandidaat aannemelijk maken dat de school hem een hem rechtens toekomend hulpmiddel heeft ontzegd. Hij zou dan kunnen argumenteren dat hij niet het aantal punten heeft kunnen behalen dat mét dit hulpmiddel mogelijk zou zijn geweest. In feite is dus de school verplicht te zorgen dat de kandidaat de kans krijgt een woordenboek te raadplegen, hetzij door elke kandidaat in de gelegenheid te stellen het mee te nemen, hetzij door aan elke kandidaat in de examenzaal een woordenboek ter beschikking te stellen.

Uit enkele kleine experimenten blijkt dat de meeste kandidaten het woordenboek in de examensetting met de gewenste terughoudendheid wisten te gebruiken. Een enkele kandidaat kwam in tijdnood, ook merkte een kandidaat soms bij het maken van het examen dat de omschrijving in het woordenboek hem bij een specifieke vraag niet het gewenste houvast bood, of merkte hij achteraf dat een klakkeloos uit het woordenboek gekopieerde betekenis niet de gewenste punten opleverde.

Op scholen is het gebruikelijk dat kandidaten ook op het centraal examen worden voorbereid door enkele oude centrale examens te maken onder met het centraal examen vergelijkbare condities. Dat gebeurde tot op heden bij de niet-talen examens zonder woordenboek. Het verdient wellicht aanbeveling om waar mogelijk deze training voor het centraal examen 2007 te doen plaatsvinden met gebruikmaking van of in ieder geval toegang tot het woordenboek. Omdat, zoals eerder aangegeven, de examens 2007 niet specifiek op woordenboekgebruik zijn aangepast, zijn de examens van voorgaande jaren voor deze voorbereiding zonder meer geschikt.

Pijl omhoog