Septembermededeling 2006: toelichting m2 k/8

Voor de centrale examens 2007 Maatschappijleer 2 BB, KB, GL/TL

Vooraf

Woorden en zinnen in cursief gelden alleen voor kader (KB) en de gemengde en de theoretische leerweg (GL/TL).

Woorden en zinnen met een asterisk gelden alleen voor de gemengde en de theoretische leerweg (GL/TL).

8.1 De kandidaat kan aard en omvang van criminaliteit als maatschappelijk probleem herkennen en beschrijven.

Deze eindterm is uitgewerkt in de eindtermen 8.1.1 tot en met 8.1.4.

8.1.1 De kandidaat kan aard, omvang en ontwikkeling van criminaliteit herkennen en beschrijven als sociaal en politiek probleem.

Toelichting

- Criminaliteit als sociaal probleem: het betreft een situatie die mensen onwenselijk vinden, die in strijd is met en bedreigend voor bestaande waarden en normen. Men vindt dat actie moet worden ondernomen om die situatie te veranderen en er bestaan vaak uiteenlopende visies op de aanpak ervan. De schade die de samenleving ondervindt van criminaliteit is zeer groot.

- Criminaliteit als politiek probleem: de burgers vinden dat de overheid actie moet ondernemen om de criminaliteit aan te pakken. Politieke partijen en overheid hebben die wensen opgepakt m.a.w. bestrijding van criminaliteit staat op de politieke agenda. Zie ook eindterm 4.2.1 in Politiek en Beleid. Criminaliteit is ook een politiek probleem omdat het 'handhaven van de openbare orde' en het verschaffen van veiligheid voor de burgers tot de basisfuncties van de staat behoren. Zie verder beleidsmaatregelen in eindterm 8.4.

Criminaliteit als maatschappelijk probleem blijkt ook uit de gevolgen van criminaliteit voor burgers en samenleving.

Schade op materieel vlak:

Criminaliteit berokkent schade aan burgers, bedrijven en de overheid. De bestrijding van criminaliteit kost de overheid, het bedrijfsleven en de burgers geld; burgers merken dit via hun belastingen; de kosten voortvloeiend uit particuliere beveiliging; bedrijven rekenen schade als gevolg van criminaliteit vaak door in de prijzen voor hun producten of diensten. De burger merkt dit als consument; verzekeringsbedrijven berekenen hogere premies. Criminaliteit heeft eveneens tot gevolg dat burgers en bedrijven maatregelen nemen om criminaliteit te voorkomen: woningbeveiliging, camera's in winkels, particuliere bewakingsdiensten.

Gevolgen op immaterieel vlak:

gevoelens van angst en onveiligheid; burgers voelen zich in hun bewegingsvrijheid beperkt; optreden van emotionele en geestelijk schade vooral bij gewelddadige delicten, aantasting van het rechtsgevoel, morele verontwaardiging, verandering van opvattingen over goed en kwaad – normvervaging -, verlies aan vertrouwen in politiek en overheid, bedreiging van de rechtsstaat: gevaar voor eigenrichting.

Criminaliteit is (formeel) het geheel van gedragingen dat door de wet strafbaar gesteld wordt. De juridische omschrijving van strafbaar gedrag is een delict of een strafbaar feit.

Zie eindterm 8.1.2 criminaliteit als tijd- en plaatsgebonden begrip.

Bepalingen m.b.t. strafbaar gedrag zijn opgenomen in het Wetboek van Strafrecht, waarin achtereenvolgens uitgangspunten, misdrijven en overtredingen aan de orde komen.

Misdrijven die in het Wetboek van Strafrecht staan, zijn o.a. moord, doodslag, mishandeling, verkrachting, inbraak, diefstal en heling. Overtredingen zijn bijvoorbeeld wildplassen, overtreding van het bekende bordje 'Verboden toegang artikel 461 Wetboek van Strafrecht', openbare dronkenschap en vernieling. Voor het onderscheid tussen overtredingen en misdrijven zie verder eindterm 8.4.2.

Naast het Wetboek van Strafrecht bestaan andere wetten, waarin gedrag door de overheid strafbaar wordt gesteld zoals de Wegenverkeerswet, de Wet Economische Delicten en de Opiumwet. Misdrijven uit de Wegenverkeerswet zijn bijvoorbeeld rijden onder invloed, doorrijden na een ongeval, joyriding. Overtredingen zijn bijvoorbeeld zonder helm op een bromfiets rijden of door het rode licht rijden.

De jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin wettelijke bepalingen zijn geïnterpreteerd en toegepast, heeft in feite ook het karakter van wetgeving.

*De overheid en burgers in Nederland dienen zich ook de houden aan rechtsregels van de Europese Unie en internationale verdragen zoals bijvoorbeeld het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens.

8.1.2 De kandidaat kan voorbeelden geven van veranderingen in opvattingen in de loop der tijd over rechtsregels, het overtreden ervan en het bestraffen ervan.

Toelichting

Regels of normen zijn afspraken over hoe mensen zich ten opzichte van elkaar behoren te gedragen.

- Rechtsregels zijn geschreven regels, die door de overheid gesteld en gehandhaafd worden zoals bijvoorbeeld wetten. Onderdeel van de Nederlandse wetgeving vormt het Wetboek van Strafrecht.

- Ongeschreven regels zijn bijvoorbeeld fatsoensnormen of regels die gelden in een bepaalde groep – groepsnormen -.

Aan regels of normen ligt altijd een waarde ten grondslag. Een waarde is een opvatting over wat mensen goed, waardevol of nastrevenswaardig vinden.

Criminaliteit is een tijd- en plaatsgebonden begrip.

Maatschappelijke opvattingen over wat strafwaardig en misdadig gedrag zijn en hoe dit kan worden voorkomen of bestreden, veranderen in de loop der tijd. Dit leidt tot nieuwe rechtsregels of verandering van de rechtsregels.

Daarnaast is criminaliteit ook een plaatsgebonden begrip: Opvattingen over wat criminaliteit is kunnen van land/cultuur tot land/cultuur verschillen.

Voorbeelden van een verandering van een opvatting over rechtsregels en het overtreden daarvan, zijn:

- Vroeger was in Nederland godslastering een zwaar misdrijf; nu ook nog in verschillende landen in de wereld.

- Vroeger was homoseksualiteit misdadig.

- Het gedoogbeleid ten aanzien van drugsgebruik. Volgens de wet is verkoop en gebruik van softdrugs verboden; in de praktijk worden deze gedoogd. De handel en teelt van softdrugs blijven verboden.

- Het opheffen van het verbod op prostitutie.

- Abortuswet en euthanasiewet. Vroeger verboden nu onder bepaalde voorwaarden toegestaan. In veel landen van de wereld verboden.

Deze voorbeelden van veranderingen in opvattingen over rechtsregels zijn ook voorbeelden van criminaliteit als een plaatsgebonden begrip.

8.1.3 De kandidaat kan kanttekeningen plaatsen bij beeldvorming rond criminaliteit en bij conclusies uit cijfers/statistieken op basis van verschillende methoden van onderzoek naar criminaliteit. (De toelichting geldt gedeeltelijk ook voor de BB-leerweg)

Toelichting

Beeldvorming

Massamedia berichten relatief vaak over criminaliteit. De massamedia bepalen voor een belangrijk deel de beeldvorming over de aard, omvang en de ontwikkeling van de criminaliteit. Deze beeldvorming komt niet altijd overeen met de werkelijkheid. Het beeld bestaat bijvoorbeeld dat het aandeel van de agressieve criminaliteit in het totaal van de criminaliteit hoger is dan het werkelijk aandeel. Bij het begrip criminaliteit wordt in eerste instantie aan de zware - agressieve - criminaliteit gedacht en in veel mindere mate aan bijvoorbeeld vermogenscriminaliteit, terwijl dit laatste in werkelijkheid veel meer voorkomt.

Berichten over criminaliteit zijn voor de massamedia belangrijk nieuws. Niet alle massamedia schenken op dezelfde wijze en in dezelfde mate aandacht aan criminaliteit: sensationele versus zakelijk berichtgeving, veel versus weinig aandacht. Uit onderzoek blijkt dat er een samenhang bestaat tussen de beleving van criminaliteit - mate van bezorgdheid - en het lezen van kranten met meer of minder - sensationeel - nieuws over misdaad.

Voor de media heeft criminaliteit veel nieuwswaarde. Belang van de media: Berichtgeving over criminaliteit is goed voor de oplagecijfers en kijkcijfers.

Media kunnen ook bepaalde opvattingen over de oorzaken van criminaliteit en kenmerken van criminelen versterken. Het stereotype beeld kan bijvoorbeeld ontstaan dat criminaliteit alleen voorkomt onder jongeren of vooral wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van bepaalde allochtone groepen.

Media spelen bovendien een belangrijke rol in het totstandkomen van de publieke opinie. Met betrekking tot criminaliteit kan hierbij worden gedacht aan opvattingen van het publiek over de wijze waarop bepaalde misdrijven voorkómen c.q. bestraft moeten worden.

Volgens sommigen kunnen massamedia ook van invloed zijn op het ontstaan van crimineel gedrag bijvoorbeeld de invloed van geweldsbeelden op t.v. *Zie eindterm 4.2 over de invloed van de media uit K/7 exameneenheid Massamedia.

Cijfers en statistieken over criminaliteit

Om een beeld van de aard, omvang en ontwikkeling van diverse vormen van criminaliteit te krijgen, wordt gebruik gemaakt van politiestatistieken, slachtofferonderzoek en *daderonderzoek.

De politiestatistieken bevatten cijfers over ter kennis van de politie gekomen strafbare feiten. Kanttekeningen bij politiestatistieken:

- Veel misdrijven en overtredingen komen niet ter kennis van de politie.

- Zichtbare vormen van criminaliteit bijvoorbeeld geweld, verkeersdelicten komen gemakkelijker ter kennis van de politie dan minder zichtbare zoals bijvoorbeeld fraude.

- De aangiftebereidheid kan per misdrijf verschillen; van sommige misdrijven bijvoorbeeld diefstal en inbraak wordt meer aangifte gedaan dan van andere bijvoorbeeld seksueel geweld of vandalisme waardoor het kan lijken of bepaalde misdrijven vaker worden gepleegd dan andere.

- De cijfers moeten worden gekoppeld aan de ontwikkeling van de bevolking bijvoorbeeld bevolkingsopbouw en -groei.

- Selectief opsporingsbeleid beïnvloedt de cijfers voor bepaalde vormen van criminaliteit; criminaliteit waar de politie veel aandacht aan besteedt zal ook eerder worden geconstateerd bijvoorbeeld alcoholcontroles. Ook kan de politie meer aandacht hebben voor bepaalde groepen in de samenleving.

Slachtofferonderzoek: enquêtes onder willekeurige burgers die kunnen aangeven of ze het slachtoffer zijn geweest van bepaalde misdrijven in het afgelopen jaar. Voordeel: ook niet-aangegeven misdrijven komen zo in de cijfers naar voren.

Kanttekeningen: er kan een emotionele drempel bestaan voor het beantwoorden van vragenlijsten; voor sommige vormen van criminaliteit zijn niet altijd aanwijsbare slachtoffers b.v. vernielingen van openbaar bezit.

Het op basis van deze enquêtes geschatte aantal delicten per jaar per hoofd van de bevolking blijkt veel hoger te zijn dan het aantal misdrijven volgens de politiecijfers.

(De Politiemonitor Bevolking is een tweejaarlijks onderzoek naar veiligheid en criminaliteit. Dit is het grootste enquêteonderzoek in Nederland dat op het terrein van veiligheid wordt gehouden. Dit onderzoek bevat een groot aantal vragen over verschillende aspecten van veiligheid onder andere naar slachtofferschap en het functioneren van de politie.)

*Daderonderzoek: dit is onderzoek waarin de onderzochte personen zelf kunnen aangeven of ze al of niet een delict hebben gepleegd. Voordeel is dat ook niet-ontdekte delicten zoals bijvoorbeeld fraudezaken in de cijfers komen.

Kanttekening: het is mogelijk dat personen niet altijd een eerlijk antwoord geven, zeker bij daders van zware misdrijven.

8.1.4 De kandidaat kan met voorbeelden verduidelijken in hoeverre het sociale milieu van invloed kan zijn bij opsporing en berechting van verdachten.

Toelichting

Politie, justitie en rechter kunnen mensen uit verschillende sociale klassen en uit verschillende etnische groepen verschillend behandelen. Dit verschijnsel heet klassenjustitie of discriminatie door politie en justitie. In vergelijking met vroeger komt dit verschijnsel veel minder voor. Toch wijst onderzoek uit dat er ook heden ten dage sprake is van ongelijkheid in de kans op aanhouding, vervolging en veroordeling.

Bij deze vormen van ongelijke behandeling – rechtsongelijkheid - spelen verschillende oorzaken een rol:

- Door verschillen in inkomen, opleiding, scholing en cultuur hebben niet alle verdachten gelijke mogelijkheden om hun belangen te verdedigen.

Voorbeeld: mensen uit hoge sociale milieus zijn beter in staat om voor hun belangen op te komen en kunnen zich ook gemakkelijker juridische bijstand veroorloven. Echter voor mensen met een laag inkomen bestaat er rechtsbijstand.

- Politie, officieren van justitie en rechters verwachten dat bepaald crimineel gedrag voorkomt bij mensen uit bepaalde sociale milieus of specifieke groepen zoals etnische minderheden. Er kan sprake zijn van vooroordelen.

- Mensen uit lage sociale milieus en bepaalde etnische groepen lopen een grotere kans om bestraft te worden te worden dan mensen uit hogere milieus of autochtonen. Voorbeeld: Winkeldiefstal is veel gemakkelijker op te sporen en te berechten dan fraude. Omdat winkeldiefstal vaker gepleegd wordt door mensen uit lage sociale milieus zullen mensen uit sociaal lage milieus vaker gestraft worden dan mensen uit hoge sociale milieus.

- Allochtone criminele jongeren worden zwaarder gestraft dan autochtone jongeren. Dat komt vooral doordat deskundigen die verslag uitbrengen aan de rechters over het gedrag van de verdachten, negatief oordelen over het gedrag van de verdachte allochtonen of dit gedrag verkeerd interpreteren.

- Oververtegenwoordiging van specifieke etnische groepen in de geregistreerde criminaliteit wordt gedeeltelijk verklaard door selectiviteit in aangifte en opsporing en door het feit dat zij een zichtbare groep vormen die vaak met wantrouwen wordt bejegend en blootstaat aan discriminatie en racisme.

8.2 De kandidaat kan de principes van de rechtsstaat herkennen in straf- en procesrecht.

Deze eindterm is uitgewerkt in de eindtermen 8.2.1 tot en met 8.2.3.

8.2.1 De kandidaat kan de kenmerken van een rechtsstaat herkennen in de Nederlandse wetgeving rond criminaliteit.

Toelichting

Kenmerken van een rechtsstaat:

A. bescherming van burgers tegen te grote overheidsmacht en tegen willekeur van de overheid. Deze rechtsbescherming blijkt uit:

- beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Welk gedrag strafbaar is en hoe crimineel gedrag wordt opgespoord en vervolgd, moet in de wet zijn geregeld. De overheid is gebonden aan de wet. De burger moet weten wat hem te wachten staat bij het plegen van een delict en hij moet erop kunnen rekenen dat hij niet anders zal worden behandeld/bestraft dan iemand anders.

- machtenscheiding; de rechter is onafhankelijk;

- grondrechten van de burgers: wezenlijk is het beschermen van de individuele vrijheid van de burger; o.a. rechten van een verdachte;

- parlementaire democratie.

B. de overheid dient de rechtsorde te handhaven met wettelijke middelen en daarbij dient de overheid de rechten van de burger te waarborgen.

In straf- en procesrecht zijn regels opgenomen, die de burger beschermen tegen willekeur van de overheid.

De taak van de overheid om de rechtsorde te handhaven kan op gespannen voet staan met het waarborgen van de rechten/vrijheid van de burgers. Voorbeeld: de overheid heeft verschillende maatregelen genomen om terreur te bestrijden (in 2005). Zie toelichting bij eindterm 8.4. Verschillende van deze maatregelen hebben geleid tot inperking of aantasting van de rechten van de burgers.

In de strafrechtelijke praktijk is het beginsel van rechtsgelijkheid niet altijd verzekerd. zie 8.1.4.

Voor de BB-leerweg gelden de kenmerken van de rechtsstaat in eindterm 4.1 van exameneenheid Politiek en beleid.

8.2.2 De kandidaat kan in de Nederlandse wetgeving ten aanzien van strafrecht de uitgangspunten herkennen betreffende de vraag welk gedrag strafbaar is.

Toelichting

. Het moet gaan om menselijk gedrag, dat valt onder een delictsomschrijving. Dat wil zeggen dat men alleen kan worden veroordeeld en bestraft voor handelingen, die in de wet strafbaar zijn gesteld; de wet bepaalt bovendien welke straf maximaal mag worden gegeven.

. Het feit moet zijn bewezen; bij gebrek aan bewijs volgt vrijspraak. Als het feit niet wettig en overtuigend bewezen is, mag geen veroordeling volgen.

. Het feit moet aan de schuld van de dader te wijten zijn; dit is bijvoorbeeld niet het geval bij ontoerekenbaarheid.

. De wet biedt de mogelijkheid om rekening te houden met omstandigheden, waaronder een overtreding of misdrijf is begaan, bijvoorbeeld noodweer en overmacht. Het gedrag is dan niet strafbaar.

8.2.3 De kandidaat kan beschrijven op welke wijze in de rechtspraak in de Nederlandse rechtsstaat de rechten van burgers zijn gewaarborgd bij opsporing en vervolging.

Toelichting

Taken en bevoegdheden van de officier van justitie, politie en rechter zijn in ons recht vastgelegd. Hetzelfde geldt voor rechten en plichten van advocaat, verdachte, reclassering en slachtoffers.

De verdachte

In de wet zijn de rechten van de verdachte vastgelegd. Iemand is een verdachte indien uit de omstandigheden of feiten blijkt dat er een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestaat.

- De verdachte heeft het recht te weten waarvan hij verdacht wordt.

- De verdachte heeft vanaf het moment van inverzekeringstelling recht op hulp van een advocaat/ raadsman. Ook als de verdachte die niet zelf kan betalen. De politie moet de verdachte op dit recht wijzen.

- De verdachte heeft het recht om te zwijgen, en kan niet verplicht worden zijn persoonlijke gegevens prijs te geven; hij heeft wel de plicht mee te werken aan het vaststellen van zijn identiteit - het nemen van foto's en van vingerafdrukken - en de verdachte moet ook meedoen aan DNA-onderzoek.

- De verdachte mag voor maar een beperkte tijd worden vastgehouden. Hoelang dat voor welke strafbare feiten mag, staat precies in de wet.

- In een rechtszaak heeft de verdachte het recht om in hoger beroep te gaan.

- Iedereen heeft recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter.

- Iemand is onschuldig totdat hij door de rechter schuldig is bevonden. Men kan niet onbeperkt in voorlopige hechtenis worden gehouden.

- De wet beperkt de mogelijkheden van de overheid om te straffen bijvoorbeeld niemand mag tweemaal voor hetzelfde vergrijp vervolgd worden; misdrijven en overtredingen kunnen verjaren; elk delict kent een maximumstraf.

- De wet biedt de mogelijkheid om rekening te houden met bijzondere kenmerken van een verdachte bijv. leeftijd, toerekenbaarheid.

De rechten van de verdachte kan het opsporen en vervolgen van strafbare feiten bemoeilijken. De rechten van de verdachte staan soms ook op gespannen voet met de belangen van het slachtoffer.

Jeugdstrafrecht

Jongeren onder de 12 jaar kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd. Voor jongeren tussen de 12 en 18 jaar gelden bijzondere bepalingen, zoals:

- Zij staan voor de kinderrechter.

- De rechtszittingen zijn niet openbaar.

- Er gelden andere straffen en maatregelen: zo kunnen jeugdigen in geval van een misdrijf geen gevangenisstraf krijgen, maar wel in een tuchtschool worden geplaatst. (Kinderen tot zestien jaar kunnen maximaal een jaar krijgen en jongeren vanaf zestien maximaal twee jaar.) Een maatregel die de kinderrechter kan opleggen is de ondertoezichtstelling (waarbij een gezinsvoogd wordt aangewezen).

In sommige gevallen geldt ook voor 16 tot 18-jarigen het volwassenenstrafrecht (in geval van moord of zware geweldpleging) en voor 18 tot 21-jarigen het minderjarigenstrafrecht.

Taken van de officier van justitie

- leiding van opsporingsonderzoek; hij zorgt ervoor dat de politie strafbare feiten opspoort.

- vervolgen van strafbare feiten dus: voor de rechter brengen van verdachten; De officier van justitie is de openbare aanklager. Zie paragraaf 'De rechtszitting'.

De officier van justitie kan besluiten het plegen van strafbare feiten om bepaalde redenen niet te vervolgen; dit heet een zaak seponeren. Redenen kunnen zijn: de schade die verdachten kunnen ondervinden van een rechtszaak en veroordeling weegt niet op tegen de noodzaak tot straffen; er bestaat in de ogen van de officier onvoldoende bewijs voor het strafbare feit. De officier van justitie kan aan de verdachte ook een transactie of schikkingsvoorstel aanbieden d.w.z. de verdachte wordt aangeboden een bepaald bedrag te betalen. Als de verdachte daarop ingaat, hoeft hij niet terecht te staan.

- doen uitvoeren van opgelegde vonnissen.

De officier van justitie vertegenwoordigt bij de rechtbank het Openbaar Ministerie.

Taken van de politie

- zorgen voor daadwerkelijke handhaving van de openbare orde - valt onder gezag van de burgemeester -; o.a. bij voetbalwedstrijden

- verlenen van hulp;

- opsporing van strafbare feiten (strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde), onder verantwoordelijkheid van de officier van Justitie;

- preventie;

- dienstverlening en geven van service en advies.

Met het uitvoeren van haar taken levert de politie een bijdrage aan een veilige en leefbare samenleving.

De politie mag een verdachte staande houden, fouilleren, een bekeuring geven, vragen naar persoonlijke gegevens, identiteitsbewijs en/of meenemen naar het bureau voor verhoor. Een verdachte mag maximaal 6 uur worden vastgehouden voor verhoor (excl. nacht), tenzij de officier van justitie toestemming geeft om hem langer vast te houden. De officier van justitie doet dat in geval van zware misdrijven of als er meer tijd nodig is voor onderzoek, max. vier dagen in verzekerde bewaring. Als de officier van justitie een verdachte langer dan vier dagen wil vasthouden moet de rechtbank dit goedkeuren (voorlopige hechtenis van max. 102 dagen).

De politie stelt het proces-verbaal op. Het is een verslag waarin de persoonsgegevens van het slachtoffer worden vermeld, maar ook het tijdstip, de plaats, de toedracht en andere bijzonderheden van het strafbare feit. In andere zaken vormt het eindresultaat van het opsporingsonderzoek van de politie ook het proces-verbaal. Het OM en de rechter nemen op grond van de feiten in het proces-verbaal belangrijke beslissingen.

De bevoegdheden van de politie zijn nauw omschreven om willekeurig optreden van de politie te voorkomen. Dit is in het belang van rechtsbescherming van de burger - kenmerk van de rechtsstaat -.

Dat de bevoegdheden van politie nauwkeurig zijn omschreven in de wet kan wel eens op gespannen voet staan met het belang van de handhaving van de rechtsorde waartoe de bestrijding van de criminaliteit behoort - tweede kenmerk van de rechtsstaat - .

Sinds 1 januari 2005 moet iedereen in Nederland van 14 jaar en ouder een geldig identiteitsbewijs kunnen tonen als politie of andere toezichthouders daar om vragen. Het verzoek om identificatie door politie of andere toezichthouder mag niet willekeurig gebeuren. Zij moeten daar een geldige reden voor hebben. Het moet nodig zijn voor de uitvoering van hun taken, bijvoorbeeld voor verkeerstoezicht, hulpverlening, opsporing van strafbare feiten of handhaven van de openbare orde. Er mogen geen afzonderlijke controles plaatsvinden op het bezit van identiteitsbewijzen. Zie ook toelichting bij 8.4.

Organisatie strafrechtspraak

Er zijn drie rechterlijke instanties: de rechtbanken (in totaal 19), de gerechtshoven (in totaal vijf) en de Hoge Raad. Een rechtbank is ingedeeld in verschillende sectoren: sector kanton, civiele sector, strafsector en sector bestuursrecht. (De namen arrondissementsrechtbank en kantongerecht zijn komen te vervallen.) De term 'kantonrechter' is blijven bestaan.

De organisatie van de strafrechtspraak is als volgt:

- Overtredingen worden behandeld door de sector kanton van de rechtbank – de kantonrechter - .

- Misdrijven worden door de strafsector van de rechtbank behandeld – de strafrechter - .

- Het gerechtshof behandelt het hoger beroep tegen vonnissen van de strafrechter.

- Het hoogste rechtsorgaan is de Hoge Raad. Haar taak is het toetsen van vonnissen van lagere rechtbanken en niet meer of de verdachte schuldig is van een delict.

- Overtredingen en misdrijven door jongeren onder de 18 jaar vallen onder de kinderrechter. Bij zware delicten geldt ook voor 16 tot 18 jarigen het volwassenstrafrecht.

De verdachten en de officier van justitie hebben de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan. De zaak wordt dan voorgelegd aan een hogere rechter.

De rechtszitting

Volgorde van een rechtszitting: opening, aanklacht / tenlastelegging, verhoor van getuigen en deskundigen, verhoor van verdachte, requisitoir, pleidooi, laatste woord, uitspraak.

De wettelijk vastgelegde rolverdeling tussen de onderstaande functionarissen en de rechten van de verdachte bevorderen een eerlijk en rechtvaardig proces. Ook het feit dat een strafzaak in de openbaarheid plaatsvindt, bevordert een eerlijk proces.

- officier van justitie: is de aanklager; leest de tenlastelegging voor: deel van de schriftelijke oproep aan de verdachte – dagvaarding - waarin staat waar het OM de verdachte van beschuldigt; ondervraging van getuigen/deskundigen en verdachte, requisitoir: toespraak waarin de officier van justitie de feiten op een rij zet, zijn mening geeft over het bewijs en op grond daarvan een bepaalde straf eist.

- advocaat/raadsman: ondervragen getuigen/deskundigen en verdachte, pleidooi. De advocaat komt op voor de belangen van de verdachte.

- rechter: zit het proces voor, ondervragen getuigen/deskundigen, ondervragen van verdachte, komt tot een uitspraak /spreekt het vonnis uit;

- verdachte: eventueel getuigen/deskundigen ondervragen, heeft het laatste woord. Als een verdachte niet komt opdagen, kan hij ondanks zijn afwezigheid (bij verstek) worden veroordeeld.

In een aantal gevallen mag de verdachte zijn eigen verdediging voeren.

Nederland kent geen juryrechtspraak.

Slachtoffers

Een slachtoffer van een ernstig misdrijf heeft het recht om op de zitting te kunnen spreken.

Het slachtoffer kan via de officier van justitie vragen om schadevergoeding. De rechter kan de dader verplichten de schade te vergoeden. (Schadevergoeding is iets anders dan een boete.)

Slachtofferhulp wordt standaard aangeboden. Voor hulp aan slachtoffers bestaan Bureaus voor slachtofferhulp.

Reclassering

Reclassering werkt met mensen die in aanraking zijn gekomen met politie en justitie. Zij zet zich in om herhaling van strafbaar gedrag te voorkomen. Zij speelt een rol voor, tijdens en na het strafproces. Zij begeleidt en houdt toezicht op mensen, geeft voorlichting over de verdachte en de omstandigheden van het delictgedrag aan de officier van justitie en ontwikkelt en voert taakstraffen uit.

8. 3 De kandidaat kan oorzaken van criminaliteit herkennen en beschrijven.

Deze eindterm is uitgewerkt in de eindtermen 8.3.1 en 8.3.2.

8.3.1 De kandidaat kan verschillende factoren die van invloed kunnen zijn op het ontstaan en de toename van criminaliteit herkennen en beschrijven.

Toelichting

Factoren die van invloed zijn op ontstaan van veel voorkomende criminaliteit - kleine criminaliteit - zoals bijvoorbeeld (winkel)diefstal en vandalisme zijn:

- (Winkel)diefstal: geringe controle, gelegenheidsmotief, spanning/avontuur (m.n. bij jongeren), normvervaging, gebrekkige opvoeding, geringe pakkans, drugsgebruik.

- Vandalisme: verveling, spel/vermaak, actie/spanning, frustratie, prestige in een groep, groepsgedrag.

De harde kern bestaat uit jongens met een problematische achtergrond bijv. gebroken gezinnen, spijbelgedrag.

Kenmerken van veel voorkomende criminaliteit zijn: het gaat om massaal voorkomende strafbare gestelde gedragingen; die veel schade veroorzaken; hinderlijk zijn en gevoelens van onveiligheid bevorderen; die in het algemeen licht worden bestraft zeker bij een eerste overtreding.

Uit onderzoek blijkt dat een groot deel van de jeugd zich schuldig maakt aan het plegen van in het algemeen lichte vergrijpen. De meeste jeugdige delinquenten ontwikkelen zich niet tot volwassen criminelen, maar stoppen met het plegen van misdrijven zodra zij 'volwassen' worden en verantwoordelijkheid gaan dragen in een baan en een gezin. Slechts een kleine minderheid van de jongens blijft doorgaan met het plegen van misdrijven. Van alle opgroeiende jongens vertoont ruwweg vijf procent blijvend ernstig delinquent of gewelddadig gedrag – recidivist -.

Om criminaliteit te verklaren wordt onderscheid gemaakt tussen individueel crimineel gedrag en criminaliteit als een maatschappelijk verschijnsel.

Verklaringen van crimineel gedrag en van criminaliteit:

A individueel crimineel gedrag / de persoon van de dader

Centrale vraag: Hoe komt het dat sommige individuen zich schuldig maken aan het plegen van misdrijven en anderen niet? De oorzaken van crimineel gedrag worden allereerst gezocht in de eigenschappen van het individu. De kans op het ontwikkelen van ernstig delinquent en gewelddadig gedrag neemt toe als kinderen te kampen hebben met een opeenstapeling van elkaar versterkende risicofactoren zoals hieronder weergeven.

1. Criminaliteit is een aangeboren eigenschap van de persoon. Deze visie dat mensen als misdadigers worden geboren, is achterhaald. Wel wordt in de wetenschap erkend dat bepaalde vormen van crimineel gedrag (mede) verklaard kunnen worden door erfelijke factoren.

2. Het belang van leerprocessen. Crimineel gedrag wordt aangeleerd in gezin of jeugdgroep. Crimineel gedrag leidt in jeugdgroepen tot status.

3 Gebrekkige opvoeding: Door willekeurige toediening van beloningen en straffen en het gebruik van lichamelijke straffen neemt de kans op antisociaal gedrag en agressief gedrag toe.

3. Gedrags- en psychische problemen in gezin en school.

4. In groepsverband. Bij het plegen van criminaliteit stellen jongens en meisjes hun gevoelens van schuld (tijdelijk) buiten werking doordat zij elkaar voor of tijdens het plegen van strafbare feiten elkaar wijs maken dat er niets mis is met hun gedrag. Zij doen dit door ontkenning van de eigen verantwoordelijkheid voor crimineel gedrag, ontkenning dat iemand er het slachtoffer van wordt of dat er voor anderen schade ontstaat.

5. Persoonlijkheidskenmerken: ongevoeligheid voor prikkels, impulsiviteit, gebrek aan zelfdiscipline.

6. Problematisch drugsgebruik.

christelijke visie

Binnen bepaalde christelijke kringen (o.a. het Landelijk Verband van Gereformeerde Schoolverenigingen) bestaat de volgende visie op verklaring van crimineel gedrag: door de zondeval in de bijbel is de mens van nature slecht. "De diepste oorzaak van crimineel gedrag is gelegen in de zondige aard van de mens"(Genesis 6:5; 8:2; Rom.8:7; Ef.2:3).

B criminaliteit als maatschappelijk verschijnsel

Centrale vragen: Welke maatschappelijke verklaringen zijn er voor crimineel gedrag en toename van criminaliteit? Hoe komt het dat de criminaliteitsniveaus van verschillende landen en steden zo sterk uiteenlopen?

1. Slechte levensomstandigheden bevorderen crimineel gedrag. Maatschappelijke achtergronden en sociale ongelijkheid lijken inderdaad een rol te spelen. Armoede en werkloosheid belemmeren groepen mensen om maatschappelijk vooruit te komen en succesvol te zijn. Vooral bij mensen uit de lagere sociale lagen van de bevolking kan dit leiden tot het op zoek gaan naar alternatieve, desnoods illegale middelen en mogelijkheden.

2 De samenleving wordt steeds anoniemer. Er zullen meer delicten plaatsvinden op locaties die moeilijk controleerbaar zijn of waar weinig sociale controle wordt uitgeoefend doordat er door mensen nauwelijks op elkaar wordt gelet of omdat men bang is om in te grijpen of zich schaamt om andere aan te spreken op crimineel of asociaal gedrag.

3 Door o.a. het gebrek aan maatschappelijke bindingen – mensen hebben geen relatie, slechte band met familie, school, geen werk etc. – worden regels en normen in de samenleving niet meer door iedereen geaccepteerd. Er is sprake van normloosheid. Sommige groepen grijpen dan naar crimineel gedrag om aan geld of bezittingen te komen. Hierbij kan ook de opvoeding een rol spelen..

4 De gelegenheid maakt de dief. Het plegen van een bepaald misdrijf is het gevolg van een afweging van kosten – pakkans, beveiliging, sociale controle e.d. - en baten – geld, goederen ,e.d. - , waarbij de baten hoger worden ingeschat. Door toename van het aantal goederen bijvoorbeeld auto's en fietsen, de omvang en inrichting van zelfbedieningszaken en de inrichting van de bebouwde omgeving is er meer gelegenheid tot crimineel gedrag.

5 Iemand die eenmaal een misdaad heeft begaan krijgt van de omgeving het etiket 'crimineel' opgeplakt. Vaak gaan mensen zich volgens zo'n etiket gedragen.

6 Veranderend norm- en waardenbesef als gevolg van de verminderde betekenis van levensbeschouwing/ontzuiling. In de discussie over misdaad en straf wordt vaak de kwestie van waarden en normen aan de orde gesteld. Een deel van de opgroeiende generatie zou niet meer weten welke normen gelden en aan welke regels men zich dient te houden. De stelling van het kabinet (2004) is dat meer nadruk op het belang van gemeenschappelijke waarden en de naleving van de daaruit voortvloeiende normen een positieve bijdrage zou kunnen leveren aan het terugdringen van de criminaliteit.

7 Er bestaat een sterk verband tussen het ongestraft laten van overtredingen van regels en de toename van criminaliteit. De toename van het aantal overtredingen wordt onder andere ook veroorzaakt door de enorme hoeveelheid (fraudegevoelige) regelingen en regels en de beperkte omvang van het justitiële apparaat, waardoor de pak- en strafkans betrekkelijk gering is.

8.3.2 De kandidaat kan verklaren waarom bepaalde vormen van criminaliteit meer of minder in maatschappelijke groepen voorkomen.

Toelichting

- Criminaliteit wordt vooral gepleegd door jongens en mannen. Meisjes en vrouwen zijn bij alle vormen sterk ondervertegenwoordigd.

Mogelijke verklaringen: verschillen in socialisatie, aangeboren verschillen tussen mannen en vrouwen, ongelijke macht tussen mannen en vrouwen.

- De categorie jongeren tussen de 16 en 23 jaar is sterk oververtegenwoordigd. Zij zijn vooral verantwoordelijk voor de groei van de criminaliteit met name bij de veel voorkomende/kleine criminaliteit, zoals vandalisme en winkeldiefstal. Jongeren maken zich in toenemende mate schuldig aan geweldsdelicten.

Verklaringen: zie eindterm 8.3.1. en ook drankmisbruik.

- Personen uit de onderste sociale lagen zijn volgens de meeste onderzoekingen oververtegenwoordigd in met name agressieve delicten en inbraak/diefstal. Hier kan tegenin worden gebracht dat het selectieve optreden van politie en justitie in het nadeel van de lagere sociale milieus blijkt te werken, zie eindterm 8.1.4.

Verklaringen: sociale ongelijkheid, minder sociale controle, meer gelegenheid tot crimineel gedrag, zie eindterm 8.3.1.

- Andere vormen van criminaliteit zoals bijvoorbeeld belastingontduiking, verduistering en fraude blijken vooral in de midden- en hogere milieus voor te komen. Men spreekt in dit verband wel van witteboordencriminaliteit. Deze vormen van criminaliteit zijn slecht 'zichtbaar' en daardoor niet eenvoudig op te sporen. Bovendien worden ze vaak niet-strafrechtelijk afgedaan bijvoorbeeld d.m.v. boetes van de belastinginspectie.

Verklaringen: normloosheid, zie eindterm 8.1.4 en geringe pakkans.

- Allochtone / etnische groepen blijken relatief ondervertegenwoordigd te zijn in sommige delicten zoals witteboordencriminaliteit en discriminerend gedrag, maar oververtegenwoordigd in andere delicten zoals diefstal en drugscriminaliteit.

Verklaringen:

Sociale ongelijkheid. In onderzoeksrapporten wordt met nadruk gewezen op de slechte maatschappelijke positie waarin veel allochtone jongeren zich bevinden. Hun situatie met geringe maatschappelijke kansen vormt een voedingsbodem voor criminaliteit. Zie ook eindterm 8.1.4.

8.4 De kandidaat kan voorbeelden geven van mogelijke beleidsmaatregelen van landelijke en lokale overheid ter bestrijding, preventie en aanpak, van de verschillende vormen van criminaliteit.

Toelichting

De volgende overheidsorganen zijn betrokken zijn bij het voorkómen en bestrijden van criminaliteit:

- Regering en parlement stellen met elkaar vast wat strafbaar is; ze komen met wetten of wetswijzigingen waarin nieuwe overtredingen/misdrijven worden opgenomen. Op lokaal niveau kan de gemeenteraad strafbare feiten vaststellen, dit zijn altijd overtredingen.

- Regering en parlement bespreken criminaliteit als beleidsprobleem: het staat op de politieke agenda. Dit kan ook op lokaal niveau gebeuren. Overleg tussen burgemeester, officier van justitie en politiechef over de aanpak van criminaliteit en overlast in een bepaalde wijk. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde, zie 8.2.3 de taken van de politie.

- Het Openbaar Ministerie / de officier van justitie en de politie zijn belast met de opsporing van strafbaar gedrag. De officier van Justitie is verantwoordelijk voor de opsporing. Met het vervolgen van strafbare feiten - voor de rechter brengen van een strafzaak – is uitsluitend het OM belast. Het Openbaar Ministerie is een afdeling van het ministerie van Justitie. Bij de rechtbank wordt het OM vertegenwoordigd door de officier van Justitie.

- De rechterlijke macht is belast met rechtspraak. De rechter is onafhankelijk.

* Deze indeling komt overeen met het principe van de machtenscheiding -Trias Politica- . Deze machtenscheiding is van belang in een democratische rechtsstaat.

Beleidsmaatregelen

In overheidsbeleid krijgen verschillende aspecten van criminaliteit en veiligheid de aandacht:

opsporingsbeleid

Daarbij gaat het om de vraag welke vormen van criminaliteit speciale aandacht verdienen bijvoorbeeld zware georganiseerde misdaad of veel voorkomende criminaliteit. Hieronder vallen ook beleidsmaatregelen die zijn gericht op het verhogen van de pakkans. De pakkans wordt bepaald door de bereidheid van het publiek om aangifte te doen; de zichtbaarheid van het delict, bijvoorbeeld rijden onder invloed versus frauderen.

- Onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen vragen een aantal aspecten van criminaliteit de aandacht van de politiek: zinloos geweld, seksueel geweld, fraude, milieudelicten, computercriminaliteit.

- aandacht hebben ook georganiseerde – internationale - misdaad, vooral m.b.t. drugshandel, vrouwenhandel, ontvoeringen, pornografie, heling, verschillende vormen van misbruik en fraude, illegale gokactiviteiten.

- Veiligheid: de overheid wil de criminaliteit en de overlast - o.a. veel voorkomende criminaliteit, drugsverslaafden, voetbalsupporters, jeugdcriminaliteit - in de publieke ruimte fors terugdringen (in de periode tot 2010 met 20% tot 25%). Zie onderstaande paragraaf over maatregelen die de overheid kan nemen ter preventie van criminaliteit.

Met betrekking tot de handhaving van de openbare orde is het nu mogelijk om preventief te fouilleren. Het gebruik van DNA is inmiddels een gewone zaak. Met ingang van 1 januari 2005 is de identificatieplicht ingevoerd. Omdat met de identificatieplicht eenvoudig kan worden gecontroleerd of de gegevens die iemand opgeeft juist zijn, kan de politie makkelijker en sneller haar werk doen. Critici van deze maatregel wijzen op het gevaar van willekeurig optreden van de politie. Zie toelichting van de eindtermen 8.2.1 en 8.2.3.

- bestrijding terreur/terrorisme: de overheid heeft verschillende maatregelen genomen om terreur te bestrijden (2005). Zo richt de overheid zich niet alleen meer op daders, maar houdt ook mensen aan die terroristische aanslagen toejuichen of die zich volgens opsporingsdiensten verdacht gedragen zonder dat ze zijn te betrappen op iets strafbaars. Er is wetgeving die door de opsporingsdienst verkregen materiaal als bewijsmateriaal toelaat in rechtszaken. De strafbaarstelling is verruimd. Men kan ook wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie dan wel het beramen van een aanslag worden bestraft. Deze maatregelen hebben tot de discussie geleid of de rechten van de burgers wel worden beschermd. Zie toelichting van eindterm 8.2.1.

vervolgingsbeleid

Afspraken tussen minister van Justitie en officieren van justitie b.v. hoe kan worden bevorderd dat zaken zo effectief mogelijk worden afgehandeld, bijvoorbeeld door transacties en snelrecht;

gevangenisbeleid

bijv. bouw van extra cellen; nieuw is het meerpersoonsgebruik van de cel in huizen van bewaring en gevangenissen.

jeugdbeleid / beleid t.a.v. de aanpak van jeugdcriminaliteit

Specifieke maatregelen kunnen worden onderscheiden zoals het vergroten van de controle; het nemen van diverse maatschappelijke maatregelen zoals onderwijs, welzijnsvoorzieningen, scheppen van werkgelegenheid en het nemen van snelle en effectieve strafmaatregelen zoals werkprojecten, taakstraffen. HALT-afdoening, zie in onderstaande paragraaf 'Maatregelen overheid ter preventie van criminaliteit'.

preventief beleid en beleid gericht op repressie

Bij de aanpak van veel voorkomende criminaliteit ligt de nadruk op preventie, zie onderstaande paragraaf 'Maatregelen overheid ter preventie van criminaliteit.' Bij de bestrijding van zware, georganiseerde misdaad en van terrorisme ligt de nadruk op strafrechtelijke optreden dat wil zeggen repressie. Kenmerken van repressief beleid: de zware criminaliteit en georganiseerde misdaad zijn primair een taak voor politie en justitie. Dit komt tot uitdrukking in o.a. de versterking van politie en justitie, uitbreiding van cellen, uitbreiding van bevoegdheden van politie en justitie, strengere straffen.

Maatregelen die door de lokale of landelijke overheid (kunnen) zijn/worden genomen ter preventie van criminaliteit:

- Voor strafrechtelijk minderjarigen bestaat het HALT project (Het ALTernatief) / de HALT-afdoening. Bestaat uit lichte werk- of leerstraf. Dit is bedoeld voor gedragingen van een te geringe ernst om aan justitie voor te leggen, maar die wel vragen om een gepaste reactie.

- Aanpassing van de gebouwde omgeving bijvoorbeeld kleinschalige woningbouw, geen dichte begroeiing langs fietspaden, andere bushokjes.

- Vergroten van sociale controle bijvoorbeeld controleurs in tram en bus, bewakingsdiensten in winkelcentra, door de gemeente benoemde stadswachten of hulppolitie, plaatsen van camera's.

- Verbeteren van de omstandigheden van mensen bijvoorbeeld werkgelegenheid, huisvesting, mogelijkheden voor recreatie.

- Voorlichting b.v. inbraakpreventie rondom vakantieperiodes en onderwijs o.a. antispijbelbeleid.

Het gaat bij deze maatregelen meestal om de veel voorkomende of 'kleine' criminaliteit.

Ook van veranderingen in de wetgeving of het vervolgingsbeleid kan een preventief effect uitgaan. Bijvoorbeeld: Snelrecht, Lik-op-stukbeleid.

Uit bovenstaande voorbeelden blijkt dat de verantwoordelijkheid voor het criminaliteitsprobleem zowel ligt bij de overheid als bij de individuele burger en bij samenwerkingsverbanden zoals bijvoorbeeld verenigingen, scholen, wijkcomités en bedrijven. De laatste jaren is bij criminaliteitspreventie het accent verlegd van politie en justitie naar burgers en maatschappelijke organisaties.

In het algemeen wordt de preventieve waarde van zware of zwaardere straffen te hoog ingeschat. Uit onderzoek blijkt deze afschrikwekkende en daarmee preventieve functie niet.

visies en standpunten politieke partijen en stromingen

Voorbeelden van accenten die politieke stromingen of partijen leggen bij criminaliteitsbestrijding:

- 'linkse' partijen leggen meer de nadruk op de maatschappelijke oorzaken van criminaliteit, pleiten voor preventieve maatregelen, uitbreiding van taakstraffen en leggen meer de nadruk op bescherming van rechten van de burger, dit is een kenmerk van de rechtsstaat.

- CDA en VVD benadrukken meer het handhaven van rechtsregels/de wet en het belang van waarden en normen; willen vaak meer bevoegdheden voor politie en justitie voor opsporing;

- Het CDA benadrukt het belang van gezin, de school, en het maatschappelijke middenveld bij het voorkomen van criminaliteit. (n.b. de feitelijke verschillen tussen politieke partijen over criminaliteitsbestrijding zijn vaak gering) Zie voor uitgangspunten van politieke stromingen ook eindterm 4.4 uit Politiek en beleid

Onder invloed van de gestegen criminaliteit is steun voor de preventieve benadering verminderd. Weliswaar is het onduidelijk in hoeverre nieuwe partijen als de LPF en de Lijst-Wilders blijvers zijn, maar hun opvattingen over hoe de criminaliteit aan te pakken – harde aanpak, strenge straffen, - zijn een goede illustratie van het veranderde klimaat.

8.4.1 De kandidaat kan de doelen en functies van verschillende soorten straffen en maatregelen onderscheiden.

Toelichting

Doelen van sancties/straffen zijn:

Een sanctie of straf wordt opgelegd

- uit het oogpunt van wraak - wens van slachtoffers en/of publiek - of uit het oogpunt van vergelding - opzettelijke, gerechtvaardigde leedtoevoeging -;

- uit het oogpunt van afschrikking/preventie: voorkomen van herhaling en door een voorbeeld te stellen, worden anderen afgeschrikt;

- met het doel beveiliging van de maatschappij en burgers;

- met het doel handhaving van de rechtsorde en het voorkomen van eigenrichting;

- met het doel heropvoeding/resocialisatie: voorbereiden van de gedetineerde op terugkeer in de maatschappij;

- met het doel genoegdoening aan het slachtoffer.

In vroeger tijden lag meer de nadruk op de functies wraak, vergelding en afschrikking.

Soorten straffen en maatregelen

Straffen zijn bedoeld om de dader te laten boeten voor een gepleegd delict. Straffen kunnen verder worden onderscheiden in hoofdstraffen en bijkomende straffen. Hoofdstraffen die het Wetboek van Strafrecht onderscheidt zijn: gevangenisstraf, taakstraf, hechtenis en geldboete. Een taakstraf - vroeger alternatieve straf genoemd – omvat de werkstraf en de leerstraf. Bij de werkstraf gaat het om het verrichten van onbetaalde arbeid 'ten algemenen nutte'. Dienstverlening is mogelijk voor strafbare feiten waar niet meer dan zes maanden gevangenisstraf voor staat. Taakstraf legt de nadruk op heropvoeding.

Bijkomende straffen worden alleen in combinatie met hoofdstraffen opgelegd. Zij hebben altijd een relatie met het gepleegde delict, bijvoorbeeld rijbewijs intrekken na rijden onder invloed.

Maatregelen zijn niet in de eerste plaats bedoeld om iemand te bestraffen, maar om de samenleving tegen de dader of de dader tegen zichzelf te beschermen. Voorbeelden van maatregelen zijn: terbeschikkingstelling - TBS - het in een kliniek laten opnemen van een dader en ondertoezichtstelling. Maatregelen worden vooral opgelegd in geval van ontoerekeningsvatbaarheid. Maatregelen kunnen worden genomen in combinatie met een straf. De rechter kan iemand ook voorwaardelijk veroordelen tot geldboete of een vrijheidsstraf. De veroordeelde krijgt dan een proeftijd, waarin hij geen strafbaar feit mag plegen.

8.4.2 De kandidaat kan met behulp van voorbeelden verduidelijken hoe in het strafrecht en in het strafproces rekening wordt gehouden met de ernst van het gepleegde delict, de situatie waarin het plaats vond en met de achtergronden en persoonlijke eigenschappen van de dader.

Toelichting

ernst van het gepleegde delict: overtredingen en misdrijven

Het Wetboek van Strafrecht maakt een onderscheid tussen overtredingen en misdrijven. Zie eindterm 8.1.1. Het verschil hiertussen komt tot uitdrukking in de volgende factoren:

- Een overtreding is meestal een lichte, misdrijf meestal een zware schending van de wet.

- Voor overtredingen gelden lagere (maximum)straffen dan voor misdrijven. De vrijheidsstraf bij overtreding heet hechtenis - maximaal 1 jaar - en wordt uitgezeten in een Huis van Bewaring; bij een misdrijf wordt gesproken van gevangenisstraf (van max. levenslang). Voor overtredingen krijg je meestal geen strafblad, bij misdrijven wel. Hoe ernstiger het delict, hoe zwaarder de maximumstraf die er op staat.

Of er sprake is van een misdrijf of een overtreding is bepalend voor de vraag welke rechter een zaak moet behandelen..

Overtredingen worden behandeld door de kantonrechter; misdrijven worden door de strafrechter – strafsector van de rechtbank behandeld.

Zie ook de toelichtingen over taakstraffen, HALT-afdoening en doelen van straffen.

de situatie waarin het delict plaats vond

De wet biedt de mogelijkheid om rekening te houden met omstandigheden waaronder een overtreding of misdrijf is begaan. Zie eindterm 8.2.2.

met de achtergronden en persoonlijke eigenschappen van de dader

De wet biedt de mogelijkheid om rekening te houden met bijzondere kenmerken van een verdachte bijvoorbeeld leeftijd, toerekenbaarheid. Zie eindterm 8.2.3.

8.4.3 De kandidaat kan mogelijke maatregelen beoordelen op effectiviteit en wenselijkheid. (alleen eerste margestreepje voor BB-leerweg)

Toelichting

Mogelijke criteria voor effectiviteit van beleidsmaatregelen:

- feitelijke daling van bepaalde vorm van criminaliteit op grond van cijfers en statistieken;

- feitelijke daling van bepaalde vorm van criminaliteit op grond van overheidsbeleid b.v doelstelling van overheid om de criminaliteit en overlast in de publieke ruimte in de periode tot 2010 met 20% tot 25% terug te dringen;

- effecten van preventieve of repressieve maatregelen

- vermindering van de gevolgen van criminaliteit op het materiële en immateriële vlak (zie eindterm 8.1.1.)

Wenselijkheid van beleidsmaatregelen

Of bepaalde maatregelen wenselijk worden geacht, hangt onder andere af van

- welk uitgangspunt van de rechtsstaat men benadrukt: noodzaak van rechtshandhaving door de overheid versus aantasting van de rechten van de burger, zie 8.2.1;

- visies/waarden en normen van politieke stromingen/partijen en burgers op de aanpak van criminaliteit;

- de gevolgen van criminaliteit voor burger en samenleving op materieel – financiële - kosten voor overheid, burgers en bedrijven - en immaterieel vlak - gevoelens van angst en onveiligheid -.

- visies op oorzaken van criminaliteit, zie toelichting bij eindterm 8.3.1.

Pijl omhoog