Septembermededeling 2006: toelichting m2 k/4

Voor de centrale examens 2007 Maatschappijleer 2 BB, KB, GL/TL

Vooraf

Woorden en zinnen in cursief gelden alleen voor kader (KB) en de gemengde en de theoretische leerweg (GL/TL).

Woorden en zinnen met een asterisk gelden alleen voor de gemengde en de theoretische leerweg (GL/TL).

4.1 De kandidaat kan kenmerken en functioneren van een parlementaire democratie in een rechtsstaat herkennen en beschrijven.

Toelichting

Kenmerken van een parlementaire democratie:

- Er zijn grondrechten onder andere vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, vrijheid van vergadering, van het oprichten van verenigingen, politieke partijen, godsdienstvrijheid, vrijheid van onderwijs, scheiding kerk en staat, recht op privacy;

- Het kabinet kan ter verantwoording worden geroepen door de volksvertegenwoordiging. Het parlement – Tweede Kamer en Eerste Kamer – neemt uiteindelijk de beslissing. De politieke macht ligt namens de burgers bij het parlement;

- Gezag en macht van politici zijn vastgelegd in de wet;

- Er zijn vrije en geheime verkiezingen en algemeen kiesrecht. De burgers hebben het recht om vertegenwoordigers in het parlement te kiezen en hebben het recht en de mogelijkheid om op andere wijze invloed uit te oefenen op de politieke besluitvorming;

- Vertegenwoordigende organen beslissen met meerderheid van stemmen anders gezegd een besluit is democratisch tot stand gekomen, maar er wordt in het algemeen rekening gehouden met minderheidsstandpunten;

- Alle burgers zijn voor de wet gelijk; respect voor minderheden. Artikel 1 van de Grondwet namelijk allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan

-* Er is een poging de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht optimaal te scheiden, Trias Politica. In Nederland zijn de wetgevende en uitvoerende macht niet zuiver gescheiden. Wetgeving is een gezamenlijke activiteit van regering en parlement.

Kenmerken van een rechtsstaat:

A. bescherming van burgers tegen willekeur van de overheid. Deze bescherming blijkt uit:

  • de overheid is gebonden aan de wet;
  • onafhankelijke rechterlijke macht, De rechter is onafhankelijk van de uitvoerende en wetgevende macht - machtenscheiding- *Trias Politica;
  • grondrechten;
  • parlementaire democratie.

B. de overheid dient de rechtsorde te handhaven met wettelijke middelen en daarbij dient de overheid de rechten van de burger te waarborgen. Zie 4.1.3.

Functioneren van een parlementaire democratie

Elementen die het functioneren van een parlementaire democratie aangeven zijn: bovengenoemde kenmerken van een parlementaire democratie; verkiezingen voor de Tweede Kamer in de regel om de vier jaar; kabinetsformatie, coalitievorming, regeerakkoord, parlementair jaar: begroting, Miljoenennota, Troonrede, Prinsjesdag, behandeling van de begroting door het parlement; de Tweede Kamer als medewetgever – hoe komt een wet tot stand -; de Tweede Kamer controleert de regering; kabinetscrisis. Zie verder de eindtermen 4.1.2, 4.1.4 en 4.2.

*Omgeving van de politieke besluitvorming: op allerlei manieren oefent het buitenland invloed uit op de besluitvorming in Nederland. Steeds meer invloed van de Europese Unie onder andere op het gebied van de economie, financiën, landbouw en visserij; invloed via internationale verdragen b.v. van de Verenigde Naties.

Eindterm 4.1 wordt verder uitgewerkt in de eindtermen 4.1.1 tot en met 4.1.4.

4.1.1 De kandidaat kan verschillen beschrijven tussen een democratische rechtsstaat en een dictatoriaal politiek systeem.

Toelichting

In een dictatoriaal politiek systeem heeft een persoon, een aantal personen of één partij de hoogste macht en schaft de parlementaire democratie en rechtsstaat af. Er zijn geen politieke grondrechten meer en het parlement wordt naar huis gestuurd. Als er verkiezingen worden gehouden mag er maar één partij - die van de dictator - meedoen aan de verkiezingen en alleen die partij krijgt toegang tot de massamedia en de middelen om een verkiezingscampagne te voeren. Andere partijen en kranten en tv-zenders worden verboden en vervolgd door een actieve veiligheidspolitie of leger.

Voorbeelden

Rechts-extremistische of fascistische dictatuur van Hitler in Duitsland en Mussolini in Italië in de vorige eeuw. Anno 2006 communistische regimes in China, Cuba en Noord-Korea. (Gedeeltelijke) dictatoriale regimes in verscheidene Afrikaanse, Aziatische en Arabische / islamitische landen (b.v. islamitisch regime in Iran.).

4.1.2 De kandidaat kan herkennen wat de taken van regering en parlement zijn en wat de verhouding tussen beide is.

Toelichting

Het parlement bestaat uit de Tweede en Eerste Kamer. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de burgers. Zij heten dan ook volksvertegenwoordigers. De Kamer bestaat uit fracties: groepen die bestaan uit de kamerleden van één bepaalde politieke partij. In het parlement zitten regerings- of coalitiepartijen en oppositiepartijen.

Taken van de regering: voorbereiding of bepaling van en uitvoering van overheidsbeleid; De regering komt met wetsvoorstellen, begrotingen, nota's.

Parlement heeft twee taken waarmee het overheidsbeleid wordt bijgestuurd:

- (mede)wetgevende taak dat wil zeggen wetten goed- of afkeuren en zelf voorstellen van wetten indienen: *recht van initiatief, recht om wijzigingen op een wetsvoorstel in de te dienen: *recht van amendement .

- controlerende taak. Om haar controlerende taak te kunnen uitoefenen beschikt het parlement over de volgende instrumenten: de ministers en staatssecretarissen ter verantwoording roepen in een debat:* recht van interpellatie; door het stellen van mondelinge en schriftelijke vragen; onderzoek instellen: *recht van enquête; moties indienen; begroting goed- of afkeuren of wijzigen: *budget of begrotingsrecht -. (Deze laatste behoort ook tot de wetgevende taak.)

Verhouding tussen regering en parlement

Wetsvoorstellen komen meestal van het kabinet en worden door de Tweede Kamer gewijzigd, verworpen of aangenomen. De regering kan niet regeren tegen de wensen van de meerderheid van volksvertegenwoordiging in. De ministers - de regering, het kabinet - kunnen voortdurend ter verantwoording worden geroepen. Het parlement heeft het laatste woord: het parlement kan het vertrouwen in de minister opzeggen.

* In de praktijk heeft het kabinet vaak meer macht dan het parlement, doordat ze steunt op de meerderheid van het parlement, door de beschikbaarheid van deskundige ambtenaren, door het regeerakkoord.

* Machtsmiddel van het kabinet: dreigen met kabinetscrisis / dreigen met aftreden van een minister of kabinet.

* Regeringspartijen hebben meer invloed dan de oppositiepartijen, zie 4.1.4 eerste margepunt.

4.1.3 De kandidaat kan voorbeelden geven van de rol die de overheid speelt op de verschillende terreinen.

Toelichting

Tot de overheid behoren het bestuur van het land, de provincie en de gemeente. De rol die de overheid speelt in de politieke besluitvorming is weergegeven in de eindtermen 4.1.2 en 4.2.3.

Daarnaast zorgt de overheid voor een aantal zaken, dat van algemeen belang geacht wordt. Voorbeelden hiervan zijn: het garanderen van openbare orde en veiligheid - kenmerk van de rechtsstaat -, zorgen voor voldoende werkgelegenheid, sociale zekerheid, zorgen voor onderwijs, welzijn en volksgezondheid - kenmerken van de verzorgingsstaat -.

4.1.4 De kandidaat kan voorbeelden herkennen van knelpunten in het functioneren van het politieke besluitvormingsproces en voorstellen voor verbeteringen noemen.

Toelichting

-* De beperkte invloed van parlement ten opzichte van regering en ambtelijk apparaat. Onder andere door het regeerakkoord, waarin de hoofdlijnen van het beleid vastliggen, heeft het kabinet meer invloed op de besluitvorming dan het parlement. De regeringspartijen hebben samen dit akkoord gemaakt en weten zich er daarom aan gebonden en willen bij de uitvoering ervan niet dwarsliggen. De oppositiepartijen hebben geen invloed op het tot stand komen van het regeerakkoord en krijgen door de gebondenheid van de regeringspartijen nauwelijks kans hun standpunten in het besluitvormingsproces van invloed te laten zijn.

-* De mogelijke tegenstelling tussen wat een meerderheid in het parlement voorstaat en wat sterk leeft bij groepen in de samenleving.

-* De moeilijkheid om politieke beslissingen te nemen over vraagstukken, waarover men in onze samenleving zeer verdeeld is, voorbeeld: de discussie over abortus- en euthanasiewetgeving.

- *De beperkte financiële mogelijkheden om gewenst beleid uit te voeren.

- *De vertragende werking van de bureaucratie.

- *Ondoorzichtig worden van besluitvorming door het bestaan van uitgebreide regelgeving.

- *De politieke besluitvorming in Nederland wordt in toenemende mate bepaald door Europese besluitvorming en regelgeving.

- Afstand tussen kiezers en politici.

- Geringe invloed van burgers op de politieke besluitvorming; zij hebben bijvoorbeeld geen rechtstreekse invloed op het kabinetsbeleid *en geen rechtstreekse invloed op de vorming van een kabinet.

Voorstellen van verbetering

Voorbeelden:

-* Het regeerakkoord wordt minder gedetailleerd. De besluitvorming vindt meer in overleg plaats met het parlement.

-* De partijen in het parlement krijgen eigen fractieondersteuning door eigen ambtenaren/deskundigheid.

-* Het parlement krijgt meer mogelijkheden en bevoegdheden.

- *Streven naar deregulering: regelgeving maken op bestuursniveau dat dichter bij de burgers staat.

- *Gekozen minister-president, burgemeesters, regionale kandidaatstelling parlementariërs.

- Referenda: kiezers kunnen zich rechtstreeks uitspreken over bepaalde kwesties.

- opnieuw instellen van de stemplicht.

Voor- en nadelen noemen van een referendum.

Voordelen:

- Kiezers hebben direct invloed op het politieke proces.

- Verkleining van de kloof tussen kiezers en politici.

- Een referendum is een middel om de burgers meer bij de politiek te betrekken.

- Van de zijde van de burgers kan de belangstelling voor politieke besluitvormingsprocessen toenemen.

Nadelen:

- De positie van de volksvertegenwoordiging wordt aangetast.

- De politieke besluitvorming wordt vertraagd: het organiseren van een referendum kost veel tijd.

- Tegenstanders wijzen erop dat politieke kwesties vaak te ingewikkeld zijn om door kiezers beoordeeld te kunnen worden.

- Er bestaat gevaar voor manipulatie door bijvoorbeeld eenzijdige berichtgeving van de media.

- Het leidt tot versnippering van de politieke besluitvorming.

4. 2 De kandidaat kan uitleggen op welke wijze overheidsbeleid tot stand komt.

Toelichting

Het tot standkomen van overheidsbeleid verloopt volgens de volgende fasen:

Fase 1: Uiten van wensen en erkennen van wensen als politieke problemen. (tevens agendavorming)

Burgers en belangengroepen proberen wensen en problemen onder de aandacht van politici te krijgen. Daarbij spelen vaak de massamedia een belangrijke rol.

Fase 2: Vergelijken of afwegen van politieke problemen; bedenken van oplossingen voor politieke problemen / een bepaald politiek probleem.

Politieke partijen en politici maken een afweging van welke problemen opgelost moeten worden. Zij komen met voorstellen voor oplossingen van een bepaald probleem.

Fase 3: Beslissen over problemen of de besluitvormingsfase.

Bewindslieden of bestuurders - ministers, wethouders – komen met een voorstel of een voorlopig besluit. De volksvertegenwoordiging - het parlement, de gemeenteraad- neemt de uiteindelijke beslissing.

Fase 4: Besluiten uitvoeren.

Ambtenaren onder verantwoordelijkheid van de minister of college van burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering van het besluit.

*Het fasenmodel (barrièremodel)komt uitgebreider aan bod in eindterm 8 van het verrijkingsdeel V/1 Analyse van een maatschappelijk vraagstuk.

Eindterm 4.2 is verder uitgewerkt in 4.2.1 tot en met 4.2.3.

4.2.1 De kandidaat kan uitleggen wanneer er sprake is van een politiek probleem.

Toelichting

Politieke problemen zijn situaties:

- die veel mensen als ongewenst beschouwen en waarvoor zij een oplossing wensen van de overheid;

- en waarbij de overheid en politieke partijen betrokken zijn.

Dus als een probleem van het samenleven van mensen onderwerp is van overheidsbeleid, m.a.w. op de politieke agenda staat, dan is het een politiek probleem.

Veel problemen die het samenleven van mensen oproept, zijn politieke problemen, omdat ze niet door individuen of groepen opgelost kunnen worden. Ze vereisen actie van de overheid en staan of komen op de politieke agenda.

4.2.2 De kandidaat kan uitleggen waarom politieke besluiten vaak het gevolg zijn van het sluiten van compromissen.

Toelichting

Compromissen zijn overeenkomsten tussen partijen waarbij ieder wat toegeeft. Vaak noodzakelijk om tot meerderheidsbesluiten te komen. Bijvoorbeeld: het kabinetsbeleid is het resultaat van het sluiten van compromissen; geen enkele partij heeft een meerderheid in de Tweede Kamer en kan dus alleen regeren. Regeringspartijen vormen na de verkiezingen van de Tweede Kamer een coalitie.

4.2.3 De kandidaat kan herkennen/uitleggen welke rol regering en parlement, respectievelijk B&W en gemeenteraad, spelen in het landelijke respectievelijk lokale politieke besluitvormingsproces en daarnaast omschrijven op welke wijze massamedia, ambtenaren, politieke partijen een rol in dat proces kunnen spelen.

Toelichting

De regering en parlement maken wetten die in het hele land algemeen geldig zijn. Regering bestuurt het land en het parlement controleert dit bestuur. De minister-president wordt naar voren geschoven door de grootste politieke partij. De regering bestaat uit het kabinet - de ministers en staatssecretarissen - en de koningin.

Koningin

De koningin heeft formeel geen politieke macht, de ministers zijn verantwoordelijk voor het beleid en het kabinet is ook verantwoordelijk voor wat de koningin zegt en doet in het openbaar. Dit wordt ministeriële verantwoordelijkheid genoemd.

De koningin is staatshoofd en lid van de regering. Zij overlegt regelmatig met de minister-president en de ministers. De inhoud van al deze gesprekken is geheim. Dit wordt het geheim van het Paleis / het geheim van Noordeinde genoemd.

Een zeer kleine minderheid van de bevolking heeft bezwaren tegen de monarchie en wil een republiek als staatsvorm.

De koningin heeft vooral een symbolische en representatieve functie.

*In principe heeft de koningin invloed tijdens het vormen van een kabinet. De koning(in) kan zelfstandig - maar in de praktijk op basis van adviezen - beslissen over de informateur en formateur van die regering.

*Wanneer besluitvorming leidt tot wetten dan zal de koning(in) deze moeten ondertekenen voordat ze in werking treden.

B&W en gemeenteraad

Het bestuur van de gemeente/het gemeentebestuur bestaat uit de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders (college van B en W).

Taken

Het college van B&W vormt het dagelijks bestuur van de gemeente. Het zorgt voor de voorbereiding van zaken waarover de raad moet beslissen en het zorgt ook voor de uitvoering van de raadsbesluiten. De gemeenteraad heeft het laatste woord en controleert het college van B&W. De wethouders zijn geen lid van de gemeenteraad. Zij worden gekozen door de gemeenteraad. Er zijn plannen van het kabinet om in de toekomst de burgemeester te laten kiezen door de burgers van de gemeente. *De burgemeester wordt (anno 2004) op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken benoemd door de koningin.

Massamedia

functies van de massamedia voor democratische besluitvorming:

- aandragen van onderwerpen voor de politieke agenda;

- controleren van politici, massamedia als waakhond van de democratie;

- burgers informeren over het overheidsbeleid;

- meningsvorming.

Ambtenaren

Voorbereiding besluiten: ambtenaren hebben specialistische kennis en spelen een grote rol bij het formuleren van voorstellen. Verder ontlenen ambtenaren ook invloed aan het feit, dat zij kunnen blijven zitten als politieke organen van samenstelling veranderen.

Uitvoering besluiten: ambtenaren kunnen invloed uitoefenen op de uitleg van besluiten en de werking ervan.

Taken van politieke partijen

- Formuleren en onder de aandacht brengen van partij- en verkiezingsprogramma's waarin ze aangeven welk beleid zij op grond van hun ideeën voorstaan.

- Zij leveren mensen voor politieke functies - kamerleden, ministers, leden gemeenteraad, burgemeesters, wethouders - en beslissen wie er op de verkiezingslijsten komt.

- Het uitoefenen van invloed op mensen in politieke functies. Politieke partijen onderhouden contacten met de eigen Kamerleden, de eigen leden van het Europees Parlement en bewindslieden.

- Soms nemen politieke partijen bepaalde standpunten van maatschappelijke groeperingen over, b.v. van werkgevers, werknemers, mensen met hetzelfde geloof, milieuorganisaties, consumentenorganisaties, boerenorganisaties, enz. Zo vertegenwoordigen zij op dat moment gedeeltelijk de belangen van betreffende organisaties.

*De invloed van de politieke partijen is groot in de fase van de kandidaatstelling, de formulering van het verkiezingsprogramma, tijdens de verkiezingscampagnes en tijdens de kabinetsformatie of vorming van een college. De rol die partijen spelen in de politieke besluitvorming is afhankelijk van de vraag of zij regeringspartij/collegepartij of oppositiepartij is. Als regeringspartij zijn zij mede verantwoordelijk voor de opstelling van het regeerakkoord.

4.3 De kandidaat kan mogelijkheden beschrijven om de politieke besluitvorming te beïnvloeden

Deze eindterm is verder uitgewerkt in de eindtermen 4.3.1. en 4.3.2.

4.3.1 De kandidaat kan mogelijkheden noemen, die individuele burgers en belangen- of pressiegroepen hebben om invloed uit te oefenen op politieke besluitvormingsprocessen.

Toelichting

Mogelijkheden individuele burgers:

- stemrecht bij verkiezingen voor de gemeenteraad, provinciale staten, Tweede Kamer, Europees parlement;

- participatie via politieke partijen;

- inschakelen van politieke partijen;

- oprichten van actie - of belangengroepen;

- beïnvloeding via lidmaatschap van en deelname aan actie- of pressiegroepen;

- indienen van klacht of bezwaarschrift bij regering, parlement, college van B en W, gemeenteraad.

- handtekeningenactie;

- allerlei vormen van buitenparlementaire actie;

-persoonlijk contact opnemen met politici - minister, lid Tweede Kamer, lid B en W, raadslid- en ambtenaren

- inschakelen van de media, de openbaarheid zoeken;

- klachten over het gedrag van bestuursorganen, van ambtenaren van de rijksoverheid en van de politie deponeren bij de Nationale Ombudsman;

- gebruik maken van officiële inspraakmogelijkheden tijdens het besluitvormingsproces, b.v. tijdens hoorzittingen in de Tweede Kamer en gebruik maken van spreekrecht tijdens vergadering van de gemeenteraad.

Kenmerken van belangen- of pressiegroepen:

- die groepen streven bepaalde belangen na;

- ten behoeve van die belangen proberen ze druk uit te oefenen op de politieke besluitvorming.

Mogelijkheden belangen- of pressiegroepen:

- openlijke actie, zoals een demonstratie, blokkades, vastketenen, consumentenstaking. Deze acties zijn belangrijk vanwege beïnvloeding van de publieke opinie;

- overleg in adviesorganen;

- lobbyen. Men spreekt van lobbyen als vertegenwoordigers van pressie- of belangengroepen proberen op een informele manier via direct contact met de politieke besluitvormers beleid in een voor hen gunstige richting te beïnvloeden.

4.3.2. De kandidaat kan uitleggen waarom maatschappelijke groepen verschillen in de mogelijkheden die zij hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden.

Toelichting

Maatschappelijke groepen verschillen in de mogelijkheden om invloed uit te oefenen op grond van

. de mate waarin zij zijn georganiseerd;

. de mate waarin hun belangen overeenkomen met het beleid van regering of gemeentebestuur;

. de mate waarin zij de beschikking hebben over verschillende machtsmiddelen:

  •  
    - de beschikking over kennis/deskundigheid;
  •  
    - de omvang van de groep die zij vertegenwoordigen/het aantal leden;
  •  
    - de financiële middelen;
  •  
    - de toegang tot de media;
  •  
    - de toegang tot belangrijke politici/invloedrijke personen in het bestuur van het land / de gemeente;
  •  
    - zitting hebben of deel uitmaken van adviesorganen van het bestuur/de regering.

4.4. De kandidaat kan in gegeven standpunten de uitgangspunten herkennen van politieke partijen en stromingen

Toelichting

Het gaat hierbij om standpunten van politieke partijen die in de Tweede Kamer vertegenwoordigd zijn.

Politieke partijen en politieke opvattingen zijn te verdelen met de begrippen links – midden – rechts en met de begrippen progressief en conservatief.

Een mogelijke indeling van de politieke partijen in de Tweede Kamer van links naar rechts is (september 2004): Socialistische Partij –SP-, GroenLinks, PvdA, D66, ChristenUnie, CDA, SGP, VVD, Lijst Pim Fortuyn –LPF- (en Groep Wilders, afscheiding van Kamerlid Wilders van de VVD). De LPF wordt in het algemeen als een rechtse partij gezien, maar deze partij heeft in morele en bestuurlijke kwesties ook progressieve opvattingen.

4.4.1. de liberale stroming en partijen

Toelichting

Uitgangspunten bij het liberalisme:

Individuele vrijheid en individuele rechten – politieke grondrechten - staan centraal.

Andere belangrijke kenmerken van het liberalisme zijn: economische vrijheid, vrijheid om te ondernemen, ruimte voor de markt/vrije ondernemingsgewijze productie.

Overige trefwoorden: particulier initiatief, relatief kleine rol voor de overheid –deregulering -, uitgaan van de mens als iemand die individuele belangen nastreeft, belangrijke taak overheid bij handhaving van openbare orde en defensie. Bescherming van de rechtsstaat en handhaven van een democratisch staatsbestel vormen de onmisbare voorwaarde voor de vrijheidsbeleving van de burgers.

Particulier initiatief: ruimte voor elk individu om een bedrijf te starten of de mogelijkheid van burgers om verenigingen/stichtingen op te richten die gemeenschappelijke taken verrichten, b.v. op het gebied van de gezondheidszorg, onderwijs, media.

In morele kwesties als abortus en euthanasie leggen de liberalen de nadruk op individuele vrijheid en eigen verantwoordelijkheid. Haar standpunten in deze kwesties komen overeen met die van de progressieve partijen (en LPF).

Voorbeelden van liberale partijen: de VVD en D66. D66 ziet zichzelf als een sociaal-liberale partij. Belangrijke uitgangspunten van D66 zijn ook democratisering van politiek en samenleving, bestuurlijke vernieuwing bijvoorbeeld gekozen burgemeester, invoeren referendum.

4.4.2 de sociaaldemocratische stroming en partijen

Toelichting

Uitgangspunten: gelijkheid en relatief grote rol van de overheid om nadelen van de vrijemarkteconomie te verminderen, om ongelijkheid te verkleinen en om gemeenschapsgoederen zoals onderwijs, sociale voorzieningen e.d. te scheppen.

Andere trefwoorden: mensen zijn gelijkwaardig aan elkaar; streven naar gelijkheid, dus streven naar vermindering van bestaande ongelijkheid in de wereld, internationale solidariteit, verkleinen van verschillen in inkomen, welvaart, macht; opkomen voor de zwakken in onze samenleving, positie van laagste inkomensgroepen verbeteren.

Sociaaldemocratische partij: PvdA

Andere partijen die zich (enigszins) baseren op sociaal-democratische /socialistische uitgangspunten zijn partijen als GroenLinks en de Socialistische Partij.

4.4.3 de christendemocratische stroming en partijen

Toelichting

Uitgangspunten: bijbelse waarden als naastenliefde en verantwoordelijkheid, christelijke geloof als inspiratiebron; harmonie en samenwerking tussen diverse organen binnen de overheid en samenleving.

Overige kenmerken: gespreide verantwoordelijkheid bij de inrichting van de samenleving. Wat betreft de rol van de overheid wordt een tussenpositie ingenomen tussen liberalen en socialisten. De overheid verricht vooral taken die niet door andere instituties in de samenleving kunnen worden vervuld. Dus wel overheidszorg voor kwetsbare groepen. Daarnaast zoveel mogelijk overlaten aan particuliere organisaties.

Verantwoordelijke samenleving: verantwoordelijkheden waar mogelijk in handen van burgers zelf en hun organisaties.

Rentmeesterschap: goed beheer voeren over goederen/grond, die niet aan de beheerder toebehoort. De mens heeft de opdracht om rentmeester te zijn over de schepping, die niet het eigendom van de mensen is. De christen-democraten gebruiken dit argument vooral voor behoud en bescherming van het milieu.

Voorbeeld van een christendemocratische partij is het CDA.

ChristenUnie en SGP zijn christelijke partijen. Voor deze laatste twee partijen is de Bijbel richtsnoer voor het politiek handelen. De overige kenmerken van de christendemocratische stroming gelden ook voor deze partijen.

4.4.4 de rechtsextremistische stroming

Toelichting

Uitgangspunten: ongelijkwaardigheid met betrekking tot ras -racisme - , nationaliteit, seksuele geaardheid of sexe; centraal leiderschap; gerichtheid op geweld; nationalistisch.

Het opduiken van rechtsextremistische denkbeelden is vooral waar te nemen in perioden van crisis en werkloosheid. Rechtsextremistische denkbeelden spelen in dergelijke perioden in op angst- en onzekerheidsgevoelens. Als alternatief benadrukken zij een vermeende superioriteit van de eigen groep tegenover andere groepen.

4.5 De kandidaat kan vanuit de politiek-juridische invalshoek een maatschappelijk vraagstuk (binnen de eigen gemeente) benaderen

In dat verband kan hij/zij

  • informatie verzamelen over een zelf gekozen maatschappelijk vraagstuk (binnen de eigen gemeente) (niet van toepassing op het centraal examen)
  • aangeven wat het huidige beleid ten aanzien van dit vraagstuk is
  • aangeven welke groeperingen betrokken zijn bij het vraagstuk en welk standpunt zij innemen
  • aangeven welke visies de bij het vraagstuk betrokken groeperingen hebben
  • - 
    aangeven welke mogelijkheden de verschillende groeperingen hebben om het beleid ten aanzien van het vraagstuk te beïnvloeden
  • aangeven welk standpunt hij/zij zelf inneemt ten aanzien van het vraagstuk
Pijl omhoog