Veelgestelde vragen

Heb je een vraag over de centrale examens in het voortgezet onderwijs? Kijk of het antwoord op je vraag is opgenomen bij de veelgestelde vragen in onderstaande categorieën.

Staat het antwoord op je vraag er niet bij? Neem dan contact op via het contactformulier.

Filter op
Filter op schoolsoort
Examens

Vakspecifieke vragen

Kunst: Mag een leerling examen doen alleen in kunst (algemeen), dus zonder een specifiek deel zoals bijvoorbeeld kunst (muziek)?

Ja, dat is toegestaan. Het is mogelijk dat een leerling alleen kunst (algemeen) doet. Hij legt dan alleen een centraal examen af – een uitzonderlijke situatie.

Op de cijferlijst staat de vaknaam, dus kunst (algemeen), met daarbij:

  • het cijfer voor het centraal examen, in één decimaal, en
  • het daarvan afgeleide eindcijfer, zonder decimaal

Er is geen schoolexamencijfer. Overigens is alleen het vak kunst (algemeen) in het vrije deel niet genoeg om te voldoen aan de examenvereisten. Kunst (algemeen) omvat namelijk slechts 200/160 studiebelastingsuren (sbu) en er moet in het vrije deel een vak staan met een omvang van minimaal 440/320 sbu. Wel betekent een mooi cijfer voor kunst (algemeen) extra compensatiepunten. Het telt dus wel mee bij de uitslagbepaling.

Kunst (algemeen) mag niet in combinatie met een groot kunstvak (kunst beeldende vormgeving, muziek, dans of drama) gevolgd worden.

MVT: Als in een citeervraag wordt gevraagd naar een specifiek woord of een specifieke woordgroep mag de leerling dan de hele zin opschrijven waar het gevraagde woord of de woordgroep in staat?

Nee, want er wordt niet naar een zin gevraagd, maar naar een woord of woordgroep. Het citeren van de hele zin (of zelfs meer tekst) zou kunnen verhullen dat de leerling het bedoelde woord niet daadwerkelijk weet, maar slechts een idee heeft waar het woord (ongeveer) staat.

MVT: De vraag is een woord, woordgroep of zin te citeren. De leerling geeft een letterlijke vertaling van het juiste woord, de juiste woordgroep of zin. Mag ik dat ook goed rekenen?

Nee, want er wordt naar een citaat gevraagd. Een citaat is altijd in de taal van de tekst. Met een vertaling voldoet de leerling niet aan de opdracht.

MVT: Het aantal open vragen varieert van jaar tot jaar; hoe kan dat?

Net zoals bij teksten (zie categorie 'Moeilijkheidsgraad') geldt dat de verdeling van het aantal opgaven (meerkeuze-, beweringenvragen, open vragen) met een bepaalde marge wordt vastgesteld. 

Zo is de richtlijn voor meerkeuzevragen: max. 60% met een marge van 7%. Dat betekent dat bij een examen van 40 vragen in principe 24 vragen van het type meerkeuze zijn, maar met de marge van 7% mogen het er ook 25 of 26 zijn.

MVT: In het examen staan woorden die niet zijn opgenomen in de (meeste) woordenboeken moderne vreemde taal - Nederlands. De betekenis kennen van deze woorden is toch cruciaal voor het kunnen beantwoorden van de opgaven?

Het gebruik van het woordenboek is één van de strategieën/vaardigheden die kandidaten kunnen hanteren bij het lezen. De betekenis van een woord uit de context halen is een andere. Verder is het zo dat het niet nodig is om álle woorden te kennen om de vragen te kunnen beantwoorden. Omgaan met woorden die je niet kent, is een belangrijke leesstrategie.

Nog een strategie is: onbekende woorden afleiden van woorden die wel bekend zijn. In het vwo-examen Engels van 2018 kwam bijvoorbeeld het woord ‘signage’ voor. Behalve dat uit de context kon worden afgeleid dat het ging om ‘bewegwijzering’, kan het woord ook worden afgeleid van ‘sign’, dat wél als bekend mag worden verondersteld.

Een derde aspect dat hier van belang is, is kennis van de wereld. De examenmakers gaan ervan uit dat leerlingen een bepaalde algemene kennis hebben en dat ze bijvoorbeeld noties als ‘evolutietheorie’, ‘CO2-uitstoot’ en ‘globalisering’ kennen zonder dat ze per se in de tekst worden uitgelegd.

MVT: Komt in elk examen hetzelfde type opgave voor?

Nee, het aantal typen opgave is in principe oneindig. De examens variëren in alle opzichten, binnen bepaalde marges. Dat geldt ook voor het type vragen, zolang de vraag maar helder en efficiënt is en leesvaardigheid toetst, is alles mogelijk.

MVT: Mag een kandidaat antwoorden op de open vragen voor de moderne vreemde talen in Word beantwoorden?

Ja, examenkandidaten mogen antwoorden op open vragen in Word beantwoorden. Een uitdraai van het Word-document moet dan worden toegevoegd aan het antwoordblad. De antwoorden op gesloten vragen moeten wel op het antwoordenblad worden genoteerd.

Aan het gebruik van een computer als schrijfgerei tijdens het examen zijn wel regels verbonden. De kandidaat mag geen toegang hebben tot verboden hulpmiddelen (zoals een digitaal woordenboek) en de opslag van het examenwerk (bijvoorbeeld printen) moet goed zijn geregeld. Zie voor meer informatie ‘Computer als schrijfgerei bij centrale examens’.

MVT: Volgens mij zijn in deze meerkeuzevraag twee antwoorden synoniem. Waarom zijn ze dan niet beide goed?

Woorden zijn doorgaans geen volle synoniemen; meestal is er sprake van gedeelde betekeniselementen. 

Neem het volgende voorbeeld: in het vwo-examen Engels van 2018 waren ‘contemptuous’ en ‘derisive’ antwoordalternatieven bij een meerkeuzevraag. Een aantal docenten claimde dat beide woorden synoniemen zijn omdat ze als synoniemen worden gepresenteerd op thesaurus.com. 

Echter, ‘derisive’ wordt pas als 2e optie gegeven (na ‘condescending’, dat er inderdaad dichter bij in de buurt komt) en andersom komt ‘contemptuous’ pas op de 8e plaats bij de synoniemen van ‘derisive’. 

Komt u in het overleg met uw vakgenoten samen tot de conclusie dat het alternatieve antwoord toch goed gerekend moet worden terwijl dat strijdig is met het cv, meld dit dan via het Examenloket bij de examenlijn.

MVT: Waarom bevat niet elk examen een literaire tekst?

De examens variëren in alle opzichten van jaar tot jaar, binnen bepaalde marges: dat geldt voor het aantal teksten (dat mag variëren van 10-16), en ook voor het type teksten en de onderwerpen: de constructieopdracht geeft daarvoor slechts een indicatieve, niet-limitatieve lijst met suggesties.

MVT: Waarom zijn de teksten altijd een paar jaar oud?

De teksten van de centrale examens doorlopen een aantal fases, waarbij een groot aantal docenten betrokken is op verschillende momenten. Dit proces duurt in totaal enkele jaren, waardoor er geen hele actuele teksten in de examens kunnen zitten. 

Om te voorkomen dat de inhoud van de tekst verwarrend is omdat hij niet helemaal actueel is, wordt de datum onder de tekst vermeld. 

Voor meer informatie, zie de vraag 'Waarom staan er vaak gedateerde teksten in het examen Engels?'

MVT: Waar vind ik antwoordbladen voor de moderne vreemde talen?

De antwoordbladen worden voor vmbo, havo en vwo gelijktijdig met de opgaven geleverd. Het is verplicht om deze antwoordbladen te gebruiken bij de examens.

MVT: Wat doe ik bij een citeervraag als een leerling de hele zin heeft opgeschreven en niet alleen de eerste twee woorden?

Het gaat erom dat de leerling de juiste zin uit de tekst aanwijst; hoe de leerling dat doet, is niet relevant. Vandaar ook de opmerking: Niet fout rekenen wanneer de juiste zin (deels) verder is overgenomen of de juiste zin op een andere manier is aangewezen.

De juiste zin op een andere manier aanwijzen kan in feite op meerdere manieren:
- met alleen het eerste woord, als de beoogde zin de enige is die met dat woord begint;
- (correcte) aanduiding van de zin, met een antwoord als “derde zin van de 2e alinea”;
- de betreffende zin wordt volledig overgenomen.

Nask2: Mogen de ionladingen bij een kloppende zoutformule worden geschreven bij het centraal examen?

In de formule van een zout mogen de juiste ionladingen worden geschreven: een schrijfwijze als Na+Cl- mag worden goed gerekend.

Natuurkunde: Als in een berekening gebruik gemaakt moet worden van bijvoorbeeld dagen en/of uren, maar de kandidaat kiest voor een alternatieve eenheid (1 dag/etmaal = 24 uur, 1 uur = 3600 seconden), beïnvloedt die keuze dan de significantie?

Nee, beide zijn telgetallen, omdat het om definities gaat. Deze getallen hebben dus geen invloed op de significantie van het antwoord.

Natuurkunde: Door gebruik van een alternatieve methode (of bijvoorbeeld een andere tabel uit Binas/ScienceData) die niet in het cv staat, komt een kandidaat op een (net) ander antwoord uit. Hoe moet omgegaan worden met de marge?

Wanneer de alternatieve methode correct is, mag de oorspronkelijke marge worden toegepast op dit alternatieve antwoord.

Natuurkunde: Een kandidaat geeft het antwoord in een andere eenheid dan de in het cv vermelde eenheid. Mag het antwoord goedgekeurd worden? Ook als het geen SI-eenheid betreft?

Als het gaat om een eenheid die past bij de betreffende grootheid dan mag dat, tenzij er in de vraagstelling expliciet om een antwoord in een bepaalde eenheid wordt gevraagd. Een eventuele marge moet door de corrector worden omgerekend naar de gebruikte eenheid en in die hoedanigheid worden gehandhaafd.

Natuurkunde: Een kandidaat heeft een correct antwoord, maar niet alle deelscores komen hier expliciet in terug. Hoe moeten de punten dan toegekend worden?

De deelscores zijn bedoeld om bij een gedeeltelijk juist antwoord te beslissen hoeveel punten toegekend kunnen worden. Als een kandidaat het juiste antwoord geeft, met een toereikende bepaling, dan heeft hij recht op het volledige aantal punten, ook zonder dat iedere deelscore aantoonbaar gescoord is.

Natuurkunde: Een kandidaat maakt een fout, maar komt nog wel binnen de marge uit. Mag dit goed gerekend worden?

Nee, met de uitzondering van acceptabel afronden.

Voorbeeld 1: een rekenfout levert een antwoord op wat enigszins afwijkt van het juiste antwoord maar wel binnen de marge valt; in dit geval vervalt de completeer-deelscore.

Voorbeeld 2: de kandidaat moet de snelheid bepalen op tijdstip t uit een (x,t)-diagram. De kandidaat berekent vervolgens v = x/t (dus de helling van de grafiek tussen t = 0 en t) in plaats van v = (x/t)raaklijn, maar vindt een antwoord binnen de marge.

De methode is hier fout, en die fout moet aangerekend worden. Afhankelijk van de precieze formulering in het cv gaat dat aanrekenen via een deelscore die over deze handeling gaat of via de completeer-deelscore.

Natuurkunde: Een kandidaat maakt een fout in een berekening of redenatie, waardoor hij een deelscore misloopt. Hij komt dan ook op een ander antwoord uit. Hoe moet dan omgegaan worden met de marge?

In het geval van een fout in een berekening of redenatie, die wordt aangerekend in de deelscore, dient de oorspronkelijke marge toegepast te worden op het antwoord dat ontstaan is uit de doorrekenfout.

Voorbeeld: voor een opgave moet de kandidaat een snelheid op een gegeven tijdstip bepalen uit een (x,t)-diagram. De raaklijn wordt op een verkeerd tijdstip getekend; dit kost een deelscore. Met deze raaklijn wordt vervolgens door de kandidaat de snelheid berekend.

De corrector bepaalt in dit geval ook de snelheid op dit verkeerde tijdstip, en controleert of de door de kandidaat gevonden snelheid binnen de oorspronkelijke marges om dit gevonden antwoord valt.

Natuurkunde: Een kandidaat maakt een rekenfout bij een handeling die in een deelscore vermeld staat. Moet deze fout aangerekend worden in die betreffende deelscore of in de deelscore ‘completeren’?

Alle rekenfouten worden aangerekend via het ‘completeren’. 

Voorbeeld: 
In een deelscore staat ‘omrekenen van kWh naar J’. De deelscore kan gescoord worden als de kandidaat de handeling van het omrekenen van kWh naar J verricht. Als bij dat omrekenen een rekenfout gemaakt wordt, valt deze rekenfout onder het completeren.

Natuurkunde: Een kandidaat noteert bij een ‘toon aan dat’ vraag de juiste waarde, maar vermeldt geen eenheid. Mag dit?

Ook bij een ‘toon aan dat’ vraag moet de eenheid vermeld worden, tenzij in het cv expliciet is aangegeven dat dit niet hoeft (dan staat de eenheid tussen haakjes, of er staat een opmerking onder de deelscores).

Als gevraagd wordt ‘toon aan dat de snelheid 25,3 km/h is’, en de kandidaat noteert vervolgens ‘v = 25,3’, dan is de aantoning immers onvolledig. Natuurkundig gezien gaat het om de combinatie van getal en een eenheid die de grootte van de grootheid definieert.

Natuurkunde: Er wordt gevraagd om een hoeveelheid. Moet het antwoord een geheel getal zijn?

Wanneer gevraagd wordt een hoeveelheid te bepalen/berekenen, betekent dit niet dat er sprake is van een aftelbare grootheid. Het antwoord hoeft dus geen geheel getal te zijn. Voorbeeld: op de vraag ‘bereken hoeveel m3 aardgas verbrand wordt’ kan het antwoord in drie significante cijfers zijn: 20,8(m3).

Natuurkunde: In een vraag moet een waarde bepaald worden uit meetwaardes waardoor een lijn is getrokken; mag de kandidaat dan gebruik maken van een (of meer) van de meetwaardes, ook al liggen die niet precies op de lijn?

Dat mag, mits de uitkomst binnen de marge valt, want dan liggen de gekozen meetpunten dus dicht genoeg op de lijn. Ligt het antwoord buiten de marge, dan is dit fout.

Natuurkunde: In het beoordelingsmodel staat de marge in een deelscore. Moet de marge in die deelscore worden aangerekend of bij het completeren?

Het betreft hier een marge op een tussenantwoord en dus verliest een leerling die deelscore als de leerling niet nauwkeurig genoeg heeft afgelezen. Als in het beoordelingsmodel de marge op de uitkomst wordt gegeven, verliest de leerling het completeerpunt als niet nauwkeurig genoeg is afgelezen.

Natuurkunde: In het correctievoorschrift staat ‘inzicht dat de raaklijn getekend moet worden en/of gebruik van bijv. v = (∆x/∆y)raaklijn’. Moet de raaklijn getekend zijn?

Nee, tenzij in het cv expliciet staat dat de raaklijn getekend moet worden. Wel moet bijvoorbeeld uit de gebruikte getallen blijken dat het om een raaklijn gaat. ‘Gebruik van formule v = (∆x/∆y)raaklijn’ betekent niet dat er een raaklijn getekend moet worden; dit is de formule zoals deze in de syllabus vermeld staat. Wel moeten de waarden die in de formule worden gebruikt passen bij een (denkbeeldige) raaklijn; dat kan ook een recht stuk van de grafiek rond het juiste punt zijn. Overigens kan een kromme of koorde níet het juiste antwoord opleveren, ook al valt het resultaat binnen de marge.

Natuurkunde: In het correctievoorschrift staat ‘toepassen van de factor 2’. De kandidaat past de factor 2 toe, maar niet op de juiste wijze. Mag ik de deelscore toekennen?

Nee. De deelscores impliceren dat de handeling juist wordt verricht. Alleen een eventuele rekenfout wordt niet via de betreffende deelscore, maar via het ‘completeren verrekend.

Voorbeeld: Er staan twee identieke draden in serie. Voor de berekening van de weerstand moet de weerstand van één draad vermenigvuldigd worden met twee. De kandidaat deelt echter door twee. De deelscore voor het toepassen van de factor 2 mag hier niet worden toegekend. Wanneer de kandidaat vermenigvuldigt met twee, maar daarbij een rekenfout maakt, kan de deelscore wel worden toegekend en vervalt de deelscore met ‘completeren’.

Natuurkunde: In plaats van het maken van een berekening heeft een kandidaat de gevraagde waarde afgelezen uit een tabel in Binas of Sciencedata (evt. gebruikmakend van interpolatie). Mag dat?

Als in de vraag expliciet staat ‘bereken’ of ‘met behulp van een berekening’, dan mag dat niet. Er moet dan voor de relevante deelscores een berekening gemaakt worden. Het aflezen uit een tabel (al dan niet met interpolatie) is geen berekening maar een bepaling. Zie hiervoor eventueel bijlage 3 van de syllabus; Examenwerkwoorden bij natuurkunde. 

Natuurkunde: Kan ik het punt voor het gebruik van de formule toekennen als er voor één grootheid een juiste waarde is ingevuld en voor één grootheid een verkeerde waarde?

Dat kan. Vakspecifieke regel 1 zegt dat voor minstens één grootheid uit de formule de overeenkomstige waarde moet zijn ingevuld. Als naast een overeenkomstige waarde voor een ander symbool een niet overeenkomstige waarde is ingevuld (bv. een temperatuur in E=Pt) dan kan de leerling toch het punt voor het gebruik van de formule krijgen. Soms wordt in het beoordelingsmodel in het bolletje voor het gebruik van de formule ook één grootheid expliciet genoemd waarvoor een overeenkomstige waarde moet zijn ingevuld. Stel dat dat de t is in eerder genoemde formule dan kan de leerling het punt niet krijgen als voor t niet de overeenkomstige waarde is ingevuld, ook niet als voor P wel de overeenkomstige waarde is ingevuld.

Natuurkunde: Mijn vraag staat er niet tussen. Waar kan ik terecht met mijn vraag?

Als je hier het antwoord op jouw vraag niet kunt vinden, kun je nog kijken bij de veelgestelde vragen die niet specifiek over natuurkunde gaan. Tot slot kun je je wenden tot de examenlijn. In de examenperiode is deze alleen bedoeld voor het melden van fouten maar buiten de examenperiode kun je daar terecht met (bijna) alle vragen over de centrale examens.

Natuurkunde: Modelstudie (domein I2) zit in het se, hoe kan het dan dat er toch vragen over gesteld worden op het ce?

Modelstudie uit het se is voorkennis voor het ce. Er zijn diverse specificaties in het ce waaruit blijkt dat vragen over modellen bij het ce horen.

Natuurkunde: Moet ik een foutieve notatie in een vervalreactie meerdere keren aanrekenen?

Als een leerling een foutieve notatie in een vervalreactie consequent toepast in een vraag, hoeft deze fout slechts een keer aangerekend te worden conform algemene regel vijf uit het correctievoorschrift. Hieronder staat een voorbeeld waarin dit nader wordt toegelicht.

Voorbeeld van vergelijking van een vervalreactie:

Vraag: Geef de vergelijking van de vervalreactie van promethium-147.   
Beoordelingsmodel:  maximumscore drie

Voorbeeld van een antwoord; een vergelijking van een vervalreactie

 

 

 

 

 

 

 

Correctie leerling 1   

  • Eerste punt niet, want er staat geen bètadeeltje rechts van de pijl aangezien de notatie niet voldoet aan de voorgeschreven notatieconventies.
  • Voor het tweede punt heeft de leerling geen juiste notatie voor het samarium-isotoop. Aangezien de leerling hier dezelfde fout maakt als bij het noteren van het bètadeeltje, hoeft deze fout op grond van algemene regel vijf hier niet weer aangerekend te worden. Het tweede punt kan dus toegekend worden.

Het derde punt kan worden toegekend.

Leerling 1 behaalt twee punten voor deze vraag.

Correctie leerling 2   

  • Het eerste punt kan worden toegekend want er staat een bètadeeltje rechts van de pijl.
  • Het tweede punt kan niet worden toegekend omdat het samarium-isotoop onjuist genoteerd is waardoor er feitelijk geen samarium rechts van de pijl staat.
  • Het derde punt kan worden toegekend.

Leerling 2 behaalt twee punten voor deze vraag.

Natuurkunde: Soms is in een examen een bepaald inzicht bij twee verschillende vragen nodig. Dat mag toch niet?

Dit kan voorkomen op een examen. In feite is het in het geval van bijvoorbeeld rekenvaardigheden eerder regel dan uitzondering, maar het kan ook met een formule of een bepaald inzicht voorkomen.

Wel proberen we in de natuurkunde-examens te voorkomen dat de uitkomst op de ene vraag nodig is om de volgende vraag te beantwoorden. Hiertoe wordt er in een dergelijke situatie doorgaans van de eerste vraag een ‘toon aan dat’ vraag gemaakt, of wordt er gekozen voor twee deelvragen in een vraag (“voer de volgende opdrachten uit:”).

Natuurkunde: Waarom bestaan sommige vragen uit deelvragen?

Hier zijn verschillende redenen voor, die soms samen in een vraag voorkomen:

  • De deelvragen dienen om de vraag voor de kandidaten eenvoudiger te maken, door de kandidaat een aantal stappen voor te schrijven. Dit kan in de praktijk ook via het geven van een hint (“Doe eerst …”), maar dit heeft uit leestechnische overwegingen niet de voorkeur.
  • De deelvragen zijn aan elkaar gekoppeld en worden daarom bij voorkeur niet als afzonderlijke vragen gesteld.
  • Het gaat om één vraag die uit twee delen bestaat en omwille van de duidelijkheid als twee deelvragen wordt gesteld. Bijvoorbeeld: ‘geef een voorbeeld van proces A en proces B’ wordt dan ‘geef een voorbeeld van proces A’ en ‘geef een voorbeeld van proces B’.

Natuurkunde: Waarom staan niet alle oplossingsmethodes in het correctievoorschrift?

Er komen in principe alleen verschillende oplossingsmethodes in het correctievoorschrift als de methodes dusdanig van elkaar verschillen, dat het niet evident is hoe de deelscores verdeeld dienen te worden. Daarnaast staan in het correctievoorschrift in principe alleen methodes die binnen de syllabus vallen. Het blijft natuurlijk mogelijk dat de examenmakers een alternatieve oplosmethode niet hebben voorzien, terwijl deze wel aan bovenstaande criteria voldoet. In dat geval kun je de vraag naar analogie beoordelen volgens algemene regel 3.3 van het correctievoorschrift.

Natuurkunde: Wanneer mag ik het punt voor een consequente conclusie wel/niet geven?

Een consequente conclusie moet consequent zijn met de voorafgaande berekening en/of redenatie. Het punt kan dus niet worden toegekend als het antwoord weliswaar juist is (i.e in overeenstemming met het cv), maar op grond van de voorafgaande stappen een andere conclusie getrokken had moeten worden. Dit betekent ook dat andersom het punt wel toegekend mag worden als de conclusie logisch volgt uit de (foutieve) berekening/redenatie, ook al is deze conclusie niet conform het cv.

Natuurkunde: Wat wordt er verstaan onder rekenfouten?

Onder rekenfouten worden fouten verstaan waarbij een verkeerde uitkomst het resultaat is van een juiste bewerking.

Voorbeelden hiervan zijn: uitkomst verkeerd overgenomen van rekenmachine, eenvoudige rekensom onjuist uit het hoofd berekend, een onjuiste omwerking naar macht (0,005 noteren als 5·103 of 5·10-2) of onjuist afronden.

Natuurkunde: Welke notaties in vervalvergelijkingen kan ik goed rekenen en welke niet?

In vergelijkingen van vervalreacties moeten de kandidaten gebruik maken van de in Nederland gebruikelijke notatieconventies.  

Voorbeeld van een correcte en incorrecte notatieconventie van een isotoop

 

 

 

Natuurkunde: Zijn bladwijzers/plakkertjes in Binas/ScienceData toegestaan?

Nee, het gebruik van ‘plakkertjes’ in Binas/ScienceData is niet toegestaan. Standaard geldt dat de Binas/ScienceData gebruikt moet worden zoals geleverd, met eventuele errata. Maatregelen die gericht zijn op (veronderstelde) verbetering van de Binas/ScienceData zijn dus niet toegestaan. Mocht voor een specifieke leerling concreet gelden dat de vorm van de Binas/ScienceData voor hem of haar een belemmering is om de informatievaardigheden te tonen, dan neemt de examensecretaris contact op met het CvTE via het contactformulier om voor die concrete situatie een oplossing te zoeken.

Scheikunde: Algemeen: Mijn leerling maakt een fout die niet in de deelscores terugkomt. Kan ik nu alle punten toekennen?

Als een antwoord gedeeltelijk juist is, treedt algemene regel 3.2 in werking: Indien een vraag gedeeltelijk juist is beantwoord, wordt een deel van de te behalen scorepunten toegekend in overeenstemming met het beoordelingsmodel. 

Bij een antwoord waarin een leerling een fout heeft gemaakt, kijk je dus naar het beoordelingsmodel bij de betreffende vraag in combinatie met de vakspecifieke regels. 

Als je alle deelscores uit het beoordelingsmodel kunt toekennen en er geen opmerking, indien of vakspecifieke regel is die voorschrijft dat punten in mindering gebracht moeten worden, kun je alle punten toekennen ondanks de door de leerling gemaakte fout.

Scheikunde: Algemeen: Verliest een kandidaat het punt voor het gebruik van “uitsluitend begrippen op microniveau” wanneer hij één begrip op macroniveau gebruikt?

Nee. In een dergelijke vraag waarbij het beschrijven/verklaren/uitleggen op microniveau wordt beoordeeld, wordt in de vraag altijd een macroscopische eigenschap gegeven. Wanneer dit gedeelte van de vraag bijvoorbeeld door de kandidaat wordt herhaald vóór of ná de gevraagde beschrijving/verklaring/uitleg, dan dient dit niet te worden aangemerkt als onjuist.

Voorbeeld: havo examen 2022 tijdvak 1, vraag 8

Vraag

Beschrijf op microniveau het vloeibaar worden van ammoniakgas.

Beoordelingsmodel

Een voorbeeld van een juist antwoord is: De (ammoniak)moleculen gaan dichter op elkaar zitten / worden tegen elkaar aan gedrukt / vormen waterstofbruggen / gaan sterkere vanderwaalsbindingen met elkaar aan.

  • juiste beschrijving waaruit blijkt dat de positie/interactie van de deeltjes verandert 1
  • de gegeven beschrijving van het vloeibaar worden bevat uitsluitend termen op microniveau 1

Het volgende leerlingantwoord kan dus goed worden gerekend:

“Tijdens het vloeibaar worden van ammoniakgas gaan de ammoniakmoleculen waterstofbruggen met elkaar vormen”.

Dit antwoord bevat weliswaar termen op macroniveau, maar de bevraagde beschrijving is gegeven op microniveau.

Scheikunde: Algemeen: Welke naamgeving wordt gehanteerd in het examen?

Volgens de nieuwe IUPAC-naamgeving worden twee-atomige niet-binaire moleculaire stoffen zoals O2 en H2, dizuurstof en diwaterstof genoemd.

In het examen worden de namen van de stoffen getoetst zoals aangegeven in de specificatie M1.1, de specificatie R1.2 en de specificatie L1.2. In deze specificatie wordt niet naar de IUPAC-naamgeving verwezen. Daarom wordt in examens de oude naamgeving gehanteerd. Wanneer een kandidaat de nieuwe naamgeving gebruikt, dient dit natuurlijk goed te worden gerekend. Dit valt onder algemene regel 3.3 (vakinhoudelijk juist).

Scheikunde: Berekeningen: Hoeveel significante cijfers heeft de pH bij een gegeven waarde van [H+]? En hoe zit dat andersom?

De vuistregel voor de berekening van de pH, die af te leiden is uit specificatie A8.3 in de syllabus, luidt:
Het aantal decimalen in de pH-waarde komt overeen met het aantal significante cijfers in de waarde van [H+] of [H3O+]

Voorbeeld 1:

Gegeven [H+] = 1,5 x 10-2. “Bereken de pH.”

Het juiste antwoord pH = 1,82 bevat dus twee decimalen.

Voorbeeld 2:

“Bereken hoeveel procent van het totaal aantal mol hexanoaat en hexaanzuur aanwezig is als hexaanzuur bij pH = 5,50 (T = 298 K).”

Het aantal decimalen in de pH is hier 2 dus hoort het antwoord 16 (%) in twee significante cijfers te zijn weergegeven.

Andersom geldt de vuistregel ook:
Het aantal significantie cijfers in de waarde van [H+] of [H3O+] komt overeen met het aantal decimalen in de pH-waarde.

Voorbeeld 3:

Gegeven pH = 1,82. “Bereken de waarde van [H+].”

[H+] = 1,5 x 10-2 in twee significante cijfers.

Let op: Met ingang van 2021 wordt de significantie niet meer in elke rekenvraag beoordeeld. Voor informatie zie het artikel Significantie in de centrale examens scheikunde havo/vwo.

Scheikunde: Berekeningen: Is een afgekapte tussenuitkomst een afrondfout?

Een afrondfout valt onder rekenfouten (vakspecifieke regel 2). 

Een afrondfout is het onjuist afronden van de (tussen)uitkomst van een berekening. Een voorbeeld hiervan is de uitkomst 3,456 afronden naar 3,45 in plaats van 3,46. Afrondfouten dienen bij elke berekening opnieuw te worden aangerekend. 

Soms komt het echter voor dat een kandidaat een tussenuitkomst afkapt in plaats van afrondt. De uitkomst 3,456 wordt dan bijvoorbeeld genoteerd als 3,45. Als uit de daaropvolgende berekening blijkt dat de kandidaat heeft doorgerekend met de onafgeronde waarde of de juist afgeronde waarde, dient dit niet te worden aangemerkt als een afrondfout. 

De finale uitkomst van een rekenvraag mag nooit worden afgekapt en dient derhalve juist te zijn afgerond.

Scheikunde: Berekeningen: Mag de deelscore voor de significantie worden toegekend als er rekenstappen ontbreken of onjuist zijn?

Ja, het is de bedoeling dat de deelscore voor de significantie wordt toegekend wanneer de kandidaat de significantieregels consequent toepast. Dit geldt ook als het ontbreken van een rekenstap resulteert in een vereenvoudiging van de vraag. Voorwaarde is wel dat de kandidaat een berekening maakt met (een deel van de) gegevens uit de opgave. Dit kan betekenen dat de juiste/consequente significantie van de (deel)uitkomst die de kandidaat noteert, afwijkt van de significantie in het voorbeeldantwoord. De juiste significantie wordt namelijk uitsluitend bepaald door de gebruikte gegevens.

Scheikunde: Berekeningen: Moet een kandidaat in vragen waarbij de significantie niet wordt beoordeeld, toch een minimum aantal significante cijfers gebruiken in zijn berekeningen?

De tussenuitkomsten en de finale uitkomst dienen te zijn weergegeven in minimaal één significant cijfer, die rekenkundig juist is afgerond.

Scheikunde: Berekeningen: Mogen in plaats van volledig uitgeschreven berekeningen ook verhoudingstabellen worden gebruikt?

Ja, een juist ingevulde verhoudingstabel mag als een juiste berekening worden geaccepteerd.

Scheikunde: Berekeningen: Onder welk scorepunt valt de deling aan het einde van de berekening?

Bij het beoordelen van een energieberekening bij scheikunde havo/vwo, onder welke scorebol valt het delen door het aantal mol stof?

Antwoord

We bespreken het antwoord aan de hand van een voorbeeldvraag.

Voorbeeldvraag

Gegeven is de vergelijking:

4 NH3 + 7 O2 à 4 NO2 + 6 H2O

Vraag: Bereken de reactiewarmte in J mol–1 NH3.

Beoordelingsmodel

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

Voorbeeld van een juiste energieberekening

of

Voorbeeld van een juiste energieberekening
  • juiste absolute waarden van de vormingswarmtes 1
  • verwerking van de coëfficiënten 1
  • rest van de berekening 1

Opmerking

Wanneer een antwoord is gegeven als:

Voorbeeld van een juiste energieberekening

 

Voorbeeld 1

Antwoord

De coëfficiënten zijn niet goed verwerkt in de berekening

 

Beoordeling: 2 punten

  • juiste absolute waardes van de vormingswarmtes 1
  • verwerking van de coëfficiënten 0
  • rest van de berekening 1

Toelichting

Deze kandidaat vergeet op het einde van zijn berekening te delen door 4. Hiermee heeft hij de coëfficiënten niet goed verwerkt. De rest van de berekening, de optelling en de verwerking van de plus en mintekens, voert hij juist uit.

Voorbeeld 2

Antwoord

De coëfficiënten zijn niet goed verwerkt in de berekening en een minteken voor de vormingswarmte van NO2

 

Beoordeling: 1 punt

  • juiste absolute waardes van de vormingswarmtes 1
  • verwerking van de coëfficiënten 0
  • rest van de berekening 0

Toelichting

Deze kandidaat vergeet te delen door 4. Hiermee heeft hij de coëfficiënten niet goed verwerkt. Bij de rest van de berekening maakt hij een tweede fout; hij zet namelijk een minteken voor de vormingswarmte van NO2.

Scheikunde: Berekeningen: Wanneer moet een fout in een berekening als rekenfout worden aangemerkt?

Bij het beoordelen van fouten in een berekening dient een verschil te worden gemaakt tussen bewerkingsfouten en rekenfouten. Dit is van belang omdat op grond van vakspecifieke regel 2, per vraag voor rekenfouten samen maximaal 1 punt wordt afgetrokken van het aantal dat volgens het beoordelingsmodel moet worden toegekend.

Onder rekenfouten worden fouten verstaan waarbij een verkeerde uitkomst het resultaat is van een juiste bewerking.

Bijvoorbeeld verkeerd overgenomen van rekenmachine, eenvoudige rekensom onjuist uit het hoofd berekend of een onjuiste omwerking naar macht (0,005 noteren als 5·103 of 5·10-2).

Bewerkingsfouten zijn fouten die rechtstreeks met de uit te voeren bewerking hebben te maken. 

Zoals de molverhouding omgekeerd gebruiken, delen in plaats van vermenigvuldigen, of onjuiste omrekening van eenheden.

Vervolgvraag

Klopt het dat een leerling die een verkeerde uitkomst uit een onjuiste bewerking noteert, alleen het bolletje voor de bewerking niet krijgt, en er niet daarbovenop nog een punt wordt afgetrokken vanwege de rekenfout?

Antwoord

Vanzelfsprekend kan ook in antwoord met een of meer onjuiste bewerkingen een rekenfout gemaakt worden maar punten die je niet kunt toekennen, kun je ook niet aftrekken. In eerste instantie dient gekeken te worden welke punten een leerling krijgt voor juiste bewerkingen in het antwoord. Als dat groter is dan 0 dan kan ook gekeken worden in hoeverre sprake is van aftrekpunten. 

Daarbij dien je naast de vakspecifieke regels ook te kijken naar de algemene regels uit het correctievoorschrift. Een fout mag maar één keer aangerekend worden.

Stel dat een leerling voor het eerste bolletje a x b moet doen, maar a/b doet en daarbij ook nog een rekenfout maakt. Vervolgens moet voor het tweede bolletje de uitkomst hiervan gedeeld worden door c. Dat doet een leerling goed en rekent daarbij consequent door met zijn foutieve uitkomst van a/b.

Dan maakt de leerling geen bewerkingsfout en geen rekenfout in het tweede bolletje. Je zou het tweede bolletje dan toe kunnen kennen zonder een punt af te trekken voor een rekenfout. Het wordt echter anders als niet duidelijk in welk deel van de vraag een rekenfout gemaakt is. Dan kan een leerling wel degelijk een punt aftrek krijgen voor een rekenfout ondanks dat hij op papier heeft laten zien te delen door c (de bewerking is dus goed).

Het is echter lastig hiervoor een algemene richtlijn op te stellen omdat er zoveel verschillende mogelijkheden zijn in waar een leerling wel of niet een fout maakt. 

Kortom, uiteindelijk is het ter beoordeling van de docent of er naast een bewerkingsfout in een vraag ook nog punten afgetrokken dienen te worden voor rekenfouten.

Scheikunde: Berekeningen: Wat is het verschil tussen een afrondfout en een significantiefout?

Als de kandidaat een (tussen)uitkomst juist afrondt, maar op minder significante cijfers dan op grond van de gebruikte gegevens mag worden verwacht, maakt de kandidaat een significantiefout. We noemen dit niet‑acceptabel (tussentijds) afronden. In vragen waarbij de significantie wordt beoordeeld wordt het scorepunt voor de significantie in dat geval niet toegekend. 

Een afrondfout valt onder rekenfouten (vakspecifieke regel 2). Een afrondfout is het onjuist afronden van de (tussen)uitkomst van een berekening. 

Een voorbeeld hiervan is de uitkomst 3,456 afronden naar 3,45 in plaats van naar 3,46. Afrondfouten dienen bij elke berekening opnieuw te worden aangerekend. 

Let wel op of er ook echt sprake is van een afrondfout of van afgekapte tussenuitkomst (zie ook de veelgestelde vraag over afkappen en afronden).

Scheikunde: Berekeningen: Wat wordt bedoeld met de absolute waarde van de vormingswarmtes?

Zie het voorbeeld hieronder. In de deelscores wordt onder ‘absolute waarde’ de waarde bedoeld, die overgenomen wordt uit het informatieboek, zonder plus of minteken. Het verwerken van plus- of mintekens valt onder ‘rest van de berekening’. Het maakt bij het eerste bolletje dus niet uit of een leerling een verkeerd teken gebruikt omdat hij optelt in plaats van aftrekt of dat de leerling de vormingswarmte in plaats van de ontledingswarmte gebruikt. Deze fouten vallen allemaal onder de laatste deelscore.

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

Juiste berekening absolute vormingswarmtes

 

of 

Juiste berekening absolute vormingswarmtes

 

 

 

  • juiste absolute waardes van de vormingswarmtes              1
  • verwerking van de coëfficiënten                                          1
  • rest van de berekening                                                        1

Opmerking

De volgende berekening goed rekenen:

Juiste berekening absolute vormingswarmtes

Scheikunde: Correctie: Hoe moet een ‘indien’ bij de correctie worden gebruikt?

Afhankelijk van de formulering kan het indien op twee manieren worden opgevat:

  • Het indien is exclusief voor het in het indien beschreven antwoord: “indien het volgende antwoord is gegeven”
  • Het indien is voorbeeldmatig voor een range aan vergelijkbare fouten die je kunt maken: “indien een antwoord is gegeven als”

Scheikunde: Correctie: Waarom staat er soms in een opmerking dat ik een antwoord mag goed rekenen dat niet het juiste antwoord op de vraag is?

In het examen scheikunde worden opmerkingen op veel manieren gebruikt. Bijvoorbeeld om, als het toetsdoel is behaald maar niet exact het gewenste antwoord is gegeven op de vraag, toch de punten te kunnen geven.

voorbeeld 1

Vraag: Geef het 3-lettersymbool voor deze aminozuur-eenheid.

Opmerking
Als de juiste naam of het 1-lettersymbool is gegeven, dit goed rekenen

Uitleg
Het toetsdoel is in dit geval het selecteren van de juiste aminozuur-eenheid. Er wordt in deze specifieke situatie niet beoordeeld of de kandidaat onderscheid kan maken tussen de naam, het 1-‑lettersymbool en het 3-lettersymbool.

Voorbeeld 2

Vraag: Geef de reactievergelijking in molecuulformules van …….

Opmerking
Als in plaats van de molecuulformule van ….., de juiste structuurformule is gegeven, dit niet aanrekenen.

Uitleg
Het toetsdoel is het opstellen en kloppend maken van een reactievergelijking. Er wordt in deze specifieke situatie niet beoordeeld of de kandidaat onderscheid kan maken tussen een molecuulformule en een structuurformule. 

Scheikunde: Correctie: Waarom worden opmerkingen gebruikt waarbij een aanscherping wordt gegeven van een scorebol?

In het examen scheikunde worden opmerkingen op veel manieren gebruikt. Bijvoorbeeld om een aanscherping te geven van hoe een scorebol dient te worden geïnterpreteerd. Deze aanscherping wordt toegevoegd om zeker te weten dat alle correctoren die scorebol op dezelfde manier beoordelen en beoordelingsongelijkheid te voorkomen. Eigenlijk functioneert de opmerking dus als uitleg van wat we in de betreffende scorebol bedoelen.

Voorbeeld

Vraag: Maak het blokschema op de uitwerkbijlage compleet.

De derde scorebol: de recirculatie van ethanol uit S3 juist weergegeven.

Opmerking
Als de teruggevoerde stofstroom van ethanol uit S3 is weergegeven als gesloten stofstroom waarbij invoer van extra ethanol afwezig is, het derde scorepunt niet toekennen.

Uitleg: Wanneer er een stof in een blokschema gerecirculeerd moet worden, is het belangrijk dat de kandidaat in de gaten heeft of er extra invoer van buitenaf nodig is of dat het gaat om een gesloten stofstroom. Het is een toetsdoel om de recirculatie juist weer te geven. De opmerking geeft de correctoren uitleg over wat wij met “juist” bedoelen. Deze opmerking functioneert in dit geval dus ter voorkoming van beoordelingsongelijkheid.

Scheikunde: Correctie: Waarom worden soms in vragen opmerkingen opgenomen over consequentiefouten met andere vragen?

In het examen scheikunde worden opmerkingen op veel manieren gebruikt. Bijvoorbeeld om te voorkomen dat een consequentiefout als gevolg van een onjuist antwoord op een andere vraag, dubbel aangerekend moet worden. Algemene regel 6 van het correctievoorschrift stelt namelijk het volgende: “Een zelfde fout in de beantwoording van verschillende vragen moet steeds opnieuw worden aangerekend, tenzij in het beoordelingsmodel anders is vermeld.” Dit “anders vermelden” kan bijvoorbeeld door middel van een opmerking. Staat de opmerking er niet, dan dient de fout opnieuw aangerekend te worden.

Voorbeeld

opmerking

Als een onjuist antwoord op vraag 2 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 1, dit antwoord op vraag twee goed rekenen.

uitleg: U beoordeelt de fout niet opnieuw. Probeer het antwoord van de kandidaat zo veel mogelijk te scoren in de geest van het correctievoorschrift

Scheikunde: Correctie: Waarom wordt in het correctievoorschrift gerekend met afgeronde waarden?

In het correctievoorschrift wordt gerekend met afgeronde waarden. Dit wordt gedaan om in het correctievoorschrift één rekenvoorbeeld te kunnen geven dat aansluit bij de verschillende waarden in Binas en ScienceData. Het gebruik van andere, niet afgeronde, waarden door leerlingen kan leiden tot afwijkingen in de uitkomst. Vanzelfsprekend leiden dergelijke afwijkingen in de uitkomst in een juiste berekening niet tot aftrek van scorepunten. Een voorbeeld is vraag 2 uit het examen scheikunde vwo 2018-I.

Scheikunde: Correctie: Wat is het verschil tussen de opmerkingen “Het volgende antwoord goed rekenen” en “Een antwoord als het volgende goed rekenen”

In het examen scheikunde worden opmerkingen op veel manieren gebruikt. Bijvoorbeeld om een antwoord goed te rekenen dat eigenlijk niet helemaal klopt. Uitgaande van de (beperkte) kennis van de kandidaat, recent veranderde naamgeving etc. rekenen we in dit geval de kandidaat de fout niet aan.

Voorbeeld 1

Vraag: Geef de systematische naam van ….

Opmerking:
Het volgende antwoord goed rekenen: 2-propanol

Uitleg: In het geval van “Het volgende antwoord goed rekenen”, moet het antwoord er exact staan. Alleen dan mag je het goed rekenen.

Voorbeeld 2

Vraag: Leg uit MDEA oplosbaar is in water. Gebruik in je uitleg de structuurformule van MDEA.

Opmerking:
Een antwoord als het volgende goed rekenen: MDEA bevat OH en kan daarmee waterstofbruggen vormen.

Uitleg: In dit geval van “Een antwoord als het volgende goed rekenen”, hoeft het antwoord niet letterlijk zo genoteerd te worden door de kandidaat. Het antwoord uit voorbeeld 2 is erg slordig geformuleerd. Micro en macro- begrippen worden namelijk door elkaar gebruikt. Deze opmerking geeft aan dat een juiste formulering op microniveau in deze vraag niet wordt beoordeeld.

Scheikunde: Structuurformules: De kandidaat noteert een tripeptide in plaats van een fragment uit het midden van de peptideketen. Kost dit de kandidaat 2 scorepunten?

Nee, dit hoeft de kandidaat geen 2 punten te kosten. Volgens algemene regel 5 mag een fout in de uitwerking van een vraag maar één keer worden aangerekend, tenzij daardoor de vraag aanzienlijk vereenvoudigd wordt en/of tenzij in het beoordelingsmodel anders is vermeld. We ondersteunen het antwoord met een voorbeeld. 

Voorbeeldvraag

Geef de structuurformule van het gedeelte ~ Ser – Cys – Thr ~.

Beoordelingsmodel

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

Structuurformule Ser-Cys-Thr
  • de peptidegroepen juist, inclusief de afgebroken peptidegroepen aan het begin en einde van de keten 1
  • de restgroepen juist 1
  • begin en einde van de peptideketen juist weergegeven, bijvoorbeeld
    met ~ en de rest van de structuurformule juist 1

Leerlingantwoord

Structuurformule Ser-Cys-Thr leerlingantwoord

Uitleg: Deze kandidaat tekent de peptidegroepen aan het uiteinde onjuist. Het consequente gevolg hiervan is dat hij de uiteindes niet meer zal weergeven met de tilde (~). Omdat de kandidaat zijn antwoord niet aanzienlijk vereenvoudigd heeft (de kandidaat heeft getoond dat hij twee peptidegroepen juist kan weergeven), hoeft deze fout maar één keer te worden aangerekend.

Scheikunde: Structuurformules: In welke deelscore wordt weergave van de peptidegroep aan de uiteinden van het fragment van een peptideketen beoordeeld?

De peptidegroepen die de aminozuureenheden met elkaar verbinden en de afgebroken peptidegroepen aan de uiteindes van het molecuul vallen beide onder de eerste deelscore. 

Onder de laatste deelscore valt het gebruik van onder andere ~ aan de uiteindes van de keten en hoeft de wijze waarop de peptidegroepen zijn afgebroken niet opnieuw beoordeeld te worden. 

We ondersteunen het antwoord met twee voorbeeldvragen. 

Voorbeeldvraag

Geef de structuurformule van het gedeelte ~ Ser – Cys – Thr ~ (3p).

Beoordelingsmodel

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

Structuurformule van het gedeelte Ser – Cys – Thr

 

 

 

  • de peptidegroep(en) juist, inclusief de afgebroken peptidegroepen aan het begin en einde van de keten 1
  • de restgroepen juist 1
  • begin en einde van de peptideketen juist weergegeven, bijvoorbeeld met ~ en de rest van de structuurformule juist

Voorbeeld 1 

Leerlingantwoord 

Structuurformule van het gedeelte Ser – Cys – Thr, maar peptidegroepen onjuist

 

 


Beoordeling: 2 punten 

  • de peptidegroep(en) juist, inclusief de afgebroken peptidegroepen aan het begin en einde van de keten 0
  • de restgroepen juist 1
  • begin en einde van de peptideketen juist weergegeven, bijvoorbeeld met ~ en de rest van de structuurformule juist

Toelichting

Deze kandidaat tekent de peptidegroepen onjuist. Het consequente gevolg hiervan is dat de peptidegroep aan het rechter uiteinde ook onjuist is weergegeven. Dit alles dient beoordeeld te worden in de eerste deelscore. In de derde deelscore worden de H-atomen aan de αC‑atomen beoordeeld, de juiste covalentie en het gebruik van ~ aan het begin en einde van het fragment. 

Voorbeeld 2

Leerlingantwoord 

Structuurformule van het gedeelte Ser – Cys – Thr, fout in de afgebroken peptidegroep aan het rechteruiteinde

 

 


 

Beoordeling: 2 punten

  • de peptidegroep(en) juist, inclusief de afgebroken peptidegroepen aan het begin en einde van de keten 0
  • de restgroepen juist 1
  • begin en einde van de peptideketen juist weergegeven, bijvoorbeeld met ~ en de rest van de structuurformule juist 1

Toelichting

Deze kandidaat maakt een fout in de (afgebroken) peptidegroep aan het rechter uiteinde en scoort daarom het eerste deelscorepunt niet. Verder zijn er geen fouten gemaakt.

Scheikunde: Structuurformules: Kan het vergeten van 2 H-atomen in een structuurformule twee scorepunten kosten?

Ja, we bespreken het antwoord aan de hand van een voorbeeldvraag.

Voorbeeldvraag

Geef de structuurformule van het gedeelte ~ Ser – Cys – Thr ~ (3p).

Beoordelingsmodel

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

Structuurformule van het gedeelte Ser – Cys – Thr
  • de peptidegroepen juist, inclusief de afgebroken peptidegroepen aan het begin en einde van de keten 1
  • de restgroepen juist 1
  • begin en einde van de peptideketen juist weergegeven, bijvoorbeeld met ~ en de rest van de structuurformule juist 1

Voorbeeld

Leerlingantwoord

Structuurformule van het gedeelte Ser – Cys – Thr, zonder twee H-atomen

Beoordeling: 1 punt

  • de peptidegroep(en) juist, inclusief de afgebroken peptidegroepen aan het begin en einde van de keten 1
  • de restgroepen juist 0
  • begin en einde van de peptideketen juist weergegeven, bijvoorbeeld met ~ en de rest van de structuurformule juist 0

Toelichting

Deze kandidaat vergeet twee H-atomen te tekenen. 
Eén van deze H-atomen zit in de restgroep van Thr. De tweede deelscore wordt dus niet behaald. Het andere H-atoom zit aan een van de αC‑atomen en valt daarom onder de derde deelscore. Hierdoor mist een kandidaat twee punten door het vergeten van twee H-atomen.

Noot: Doordat de covalentie van het C-atoom in de restgroep onjuist is, kan het laatste scorepunt nooit behaald worden. Je kunt hierover meer lezen in de veelgestelde vraag Scheikunde: Structuurformules: Wat wordt bedoeld met “de rest van de structuurformule” in de scorebolletjes?.

Scheikunde: Structuurformules: Wat wordt bedoeld met “de rest van de structuurformule” in de scorebolletjes?

In het examen scheikunde wordt bij de beoordeling van structuurformules het laatste scorebolletje vaak geformuleerd als “de rest van de structuurformule”. Soms staat daarachter nog toegevoegd “in een structuurformule die voldoet aan de covalentieregels”. In feite wordt in beide gevallen hetzelfde bedoeld: de rest van de juiste structuurformule, ofwel: de rest van het antwoord op de vraag. Dat is kortgezegd het gedeelte dat nog niet in de andere scorebolletjes is beoordeeld. Verder is het essentieel voor het behalen van dit scorepunt dat de door de leerling gegeven structuurformule voldoet aan de covalentieregels.  

Als “de rest van de structuurformule” alleen gaat om het aanvullen van de structuurformule met waterstofatomen, dan mag het punt ook worden toegekend als door gevolg van een eerder beoordeelde fout een leerling meer of minder H-atomen moet tekenen om te voldoen aan de covalentieregels. 

Scheikunde: Structuurformules: Welke eisen worden in de centrale examens gesteld aan structuurformules?

In de centrale examens worden vaste richtlijnen gehanteerd voor de schrijfwijze van structuurformules. Deze richtlijnen zijn te vinden in bijlage 3 van de syllabus. Van kandidaten wordt verwacht dat zij structuurformules volgens deze richtlijnen noteren, tenzij in de vraag anders is aangegeven.

Wiskunde: Hoe ga je bij wiskunde vmbo om met een juiste berekening die niet in het beoordelingsmodel staat?

Als een leerling een berekening opschrijft die niet is voorzien in het beoordelingsmodel, maar die vakinhoudelijk correct is, kun je een dergelijk antwoord goed rekenen op grond van algemene regel 3.3* van het correctievoorschrift.

*Regel 3.3: indien een antwoord op een open vraag niet in het beoordelingsmodel voorkomt en dit antwoord op grond van aantoonbare, vakinhoudelijke argumenten als juist of gedeeltelijk juist aangemerkt kan worden, moeten scorepunten worden toegekend naar analogie of in de geest van het beoordelingsmodel.

Wiskunde: Hoe ga je bij wiskunde vmbo om met het antwoord van een leerling als deze gebruikmaakt van een verhoudingstabel?

Als een leerling in het antwoord gebruikmaakt van een tabel waarin de verhoudingen vakinhoudelijk correct zichtbaar worden gemaakt (de zogenaamde verhoudingstabel) dan kun je een dergelijk antwoord goed rekenen op grond van algemene regel 3.3 (regel 2.3 voor digitale examens)* van het correctievoorschrift.

*Regel 3.3 (2.3 voor digitaal): indien een antwoord op een open vraag niet in het beoordelingsmodel voorkomt en dit antwoord op grond van aantoonbare, vakinhoudelijke argumenten als juist of gedeeltelijk juist aangemerkt kan worden, moeten scorepunten worden toegekend naar analogie of in de geest van het beoordelingsmodel.

Wiskunde: Hoe ga je bij wiskunde vmbo om met meerdere afrondfouten in een tabel?

Als een leerling fout afrondt in een tabel, hiervoor in totaal 1 scorepunt in mindering brengen. Dit is in lijn met algemene regel 5 van het correctievoorschrift. Algemene regel 5: een fout mag in de uitwerking van een vraag maar één keer worden aangerekend, tenzij daardoor de vraag aanzienlijk vereenvoudigd wordt en/of tenzij in het beoordelingsmodel anders is vermeld. Algemene regel 5 is algemene regel 3 van het correctievoorschrift bij de flexibele en digitale examens vmbo bb en kb. 

Wiskunde: Hoe ga je om met de opmerking ‘of nauwkeuriger’ in het beoordelingsmodel wiskunde vmbo?

Als achter de uitkomst in het beoordelingsmodel ‘of nauwkeuriger’ staat, mag een kandidaat de uitkomst ook in meer decimalen geven dan het antwoord in het beoordelingsmodel. Hierbij is wel de voorwaarde dat het antwoord met meer decimalen goed is afgerond.

Voorbeeld

Stel dat in het beoordelingsmodel als uitkomst 3,34 (of nauwkeuriger) staat en dit een afronding van 3,34379 is. Een leerling geeft als eindantwoord 3,3437. Het getal 3,3437 is dan wel nauwkeuriger dan 3,34 maar is in dit geval niet juist afgerond. Een leerling verliest in dit geval helaas 1 scorepunt door het verkeerd afronden.

Wiskunde: Hoe ga je om met tussentijds afronden in het wiskunde vmbo-examen?

In de syllabus staat dat leerlingen moeten weten dat voortijdig afronden (of afkappen) ongewenste gevolgen kan hebben voor een gewenste nauwkeurigheid. Aan het werk van een leerling is niet te zien of een leerling een tussenantwoord afgerond of afgekapt heeft opgeschreven, maar daarna heeft doorgerekend met het niet afgeronde antwoord in de rekenmachine.

Daarom is de stelregel dat tussenantwoorden afgerond of afgekapt genoteerd mogen worden. Als corrector kijk je naar het eindantwoord. Als dat juist is, mag je ervan uitgaan dat de leerling niet tussentijds heeft afgerond. Als daarentegen bij een vraag wordt doorgerekend met tussenantwoorden die afgerond of afgekapt zijn, en dit leidt tot een ander eindantwoord dan wanneer doorgerekend is met niet afgeronde tussenantwoorden, dan wordt dit gezien als een rekenfout en wordt bij de betreffende vraag 1 scorepunt in mindering gebracht.

In het beoordelingsmodel staan achter tussenantwoorden vaak puntjes, bijvoorbeeld 3,28… . Dit is om aan te geven dat in het beoordelingsmodel niet het hele tussenantwoord staat. Er zijn correctoren die van leerlingen verwachten dat zij ook puntjes achter een tussenantwoord zetten. Maar het is niet nodig dat leerlingen dit ook doen. Het mag, maar het hoeft niet. 

Wiskunde: Hoe geef ik scorepunten bij een vraag waarbij een kandidaat moet inklemmen voor het juiste antwoord in het wiskunde vmbo-examen?

Meestal worden er bij een vraag waarbij een kandidaat moet inklemmen 3 scorepunten verdeeld: 1 scorepunt voor de juiste ondergrens, 1 scorepunt voor de juiste bovengrens en 1 scorepunt voor de juiste conclusie. Dit laatste scorepunt kan alleen toegekend worden als zowel de juiste ondergrens als de juiste bovengrens zijn gegeven. Als een van deze grenzen ontbreekt is de conclusie onvoldoende onderbouwd en wordt er dus maximaal 1 scorepunt toegekend.

Wiskunde: Hoe moet een kandidaat een betrouwbaarheidsinterval afronden op het centraal examen bij wiskunde A havo?

Wanneer in het examen om een betrouwbaarheidsinterval wordt gevraagd en daarbij wordt aangegeven dat het antwoord in een bepaald aantal decimalen moet worden gegeven, dan dient de kandidaat dit volgens de normale afrondregels te doen. Een antwoord waarbij bijvoorbeeld de grenzen ‘naar buiten toe’ zijn afgerond, dient als onjuist te worden aangemerkt. Stel dat de grenzen '2,37…' en '2,82…' op één decimaal moeten worden afgerond, dan geeft dat 2,4 en 2,8 en bijvoorbeeld niet 2,3 en 2,9.

Wiskunde: Mogen andere antwoorden worden goedgekeurd bij een opgave over betrouwbaarheidsintervallen dan het cv aangeeft, als leerlingen een GR gebruiken die nauwkeuriger waarden aangeeft?

Vanaf de examens in 2025 wordt in de opgave verwezen naar het formuleblad. De leerlingen worden hiermee verplicht om het betrouwbaarheidsinterval uit te rekenen met behulp van het formuleblad. Andere antwoorden worden fout gerekend.

Wiskunde: Mogen leerlingen bij wiskunde B gebruikmaken van formules geleerd bij wiskunde D?

Tegenwoordig zit het onderdeel analytische meetkunde in het ce wiskunde B. Je moet hierbij de afstand van een punt tot lijn kunnen berekenen. Bij het vak wiskunde D hebben kandidaten hier een formule voor geleerd: 

Voor de afstand van punt 

P(x_p,y_p)

tot lijn 

l: ax + by = c

 geldt:

d(P,l) = \frac{|ax_{p}+by_{p}-c|}{\sqrt{a^2+b^2}}

Is het toegestaan deze formule ook te gebruiken bij het ce wiskunde B, of moet het via de drie stappen?

De algemene regels in het correctievoorschrift schrijven voor dat aan een vakinhoudelijk correct antwoord op een vraag alle punten toegekend moeten worden. Dat geldt ook voor een antwoord waarin niet is voorzien in het beoordelingsmodel bij de vraag1. Ook als een leerling een gedeeltelijk juist antwoord geeft volgens een alternatieve oplossingsmethode, dan zegt algemene regel 3.3 dat deelscores kunnen worden toegekend in de geest van het beoordelingsmodel. Zeker bij leerlingen die wiskunde D volgen naast wiskunde B ligt het voor de hand dat dit vaker voorkomt. Maar ook kennis opgedaan bij andere vakken of uit eigen interesse kan gebruikt worden. We mogen niet van leerlingen verwachten dat zij bedenken waar ze iets geleerd hebben voordat zij een oplossingsstrategie kiezen.

Desondanks is het mogelijk dat een vraag op een zodanige manier wordt gesteld dat een leerling niet vrij is in de keuze van een oplossingsstrategie en dus bijvoorbeeld de genoemde formule voor de afstand van een punt tot een lijn niet bij de beantwoording van de vraag kan worden gebruikt.


1 In het correctievoorschrift worden alleen die oplossingsmethoden opgenomen die te verwachten zijn op grond van de kennis waarover een leerling geacht wordt te beschikken bij het vak wiskunde B.

Hulpmiddelen en passend examineren

Waar vind ik informatie over examineren van kandidaten met een ondersteuningsbehoefte?

Op het Expertisepunt passend examineren vo vind je uitgebreide informatie over passend examineren en een overzicht van veelgestelde vragen per onderwerp. 

Hoe weet ik welke spullen ik nodig heb voor een gangbare keukeninventaris bij een cspe?

Onder gangbare keukeninventaris wordt de keukenuitrusting bedoeld die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de kookopdrachten zoals beschreven in de syllabus. De gangbare keukeninventaris kan per profielvak verschillen. Daarom publiceert het CvTE geen vaste of uitputtende lijst van materialen.

Wil je voorbeelden van een gangbare keukeninventaris van een profielvak:

  • raadpleeg de kookopdrachten uit eerder afgenomen cspe's;
  • win informatie in bij het platform van het betreffende profielvak;
  • wissel ervaringen uit met een school die het betreffende profielvak al meerdere jaren aanbiedt.

Afname

Hoe ga ik om met het begrip richttijd bij profielvak-cspe's?

De richtlijnen voor de richttijd staan op de onderwerppagina centraal schriftelijk en praktisch examen (cspe) op examenblad.nl: Richttijd voor de onderdelen van het cspe.

Bij het kopje “aanvullende informatie” op de vakspecifieke pagina staat de link ook vermeld.

Is het toegestaan af te wijken van de volgorde van opdrachten binnen een onderdeel bij een cspe?

In de vakspecifieke instructie examinator van het profielvak wordt indien van toepassing specifieke informatie gegeven over de volgorde van de opdrachten binnen een onderdeel. Als er een vaste volgorde is, wordt dit hierin aangegeven.

De school bepaalt zelf de volgorde waarin de onderdelen van een cspe worden aangeboden. 

Mag ik tijdens het cspe kandidaten laten werken met applicaties waarin AI wordt gebruikt?

Nee. Applicaties waarin AI wordt gebruikt mogen niet worden ingezet tijdens de afname van het cspe. Bij applicaties die AI gebruiken heb je promptvaardigheden nodig, en dit is een andere vaardigheid dan degene die beoogd wordt te meten. We willen de beoogde gemeten vaardigheid tijdens de afname voor alle kandidaten gelijk houden.

Mag tijd die over is van het ene onderdeel van het cspe ingezet worden bij het andere onderdeel?

Dat mag niet. De richttijden gelden per onderdeel van het profielvak-cspe. Daarom is het niet toegestaan dat als een kandidaat bij een onderdeel (bijvoorbeeld onderdeel A), tijd overhoudt, hij deze tijd alsnog benut bij het maken van een ander onderdeel (bijvoorbeeld onderdeel C).

Moet er bij de afname van het cspe een tweede examinator aanwezig zijn?

Ja, de regels voor de inzet van een tweede examinator zijn beschreven in het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 artikel 3.26 en 3.27.

Toelichting: de school heeft bij de cspe’s wel meer vrijheid om de beoordeling van de tweede examinator aan te laten sluiten naar de mogelijkheden in de eigen schoolomgeving. Over het algemeen zal dit betekenen dat de tweede examinator aanwezig is bij de afname als een kandidaat handelingen uitvoert die tijdens het uitvoeren ervan moeten worden beoordeeld. In het correctievoorschrift staat wanneer een handeling beoordeeld moet worden tijdens de uitvoering. Daarna moet overleg plaatsvinden over de geobserveerde handelingen en de score. Dit betekent dat een tweede examinator de gemaakte opdrachten mede beoordeelt.

Opdrachten waarbij de eerste examinator het eindresultaat beoordeelt, kunnen door de tweede examinator naderhand worden beoordeeld. De tweede examinator hoeft dan dus niet aanwezig te zijn bij de afname van deze opdrachten.

Het bevoegd gezag van de scholen is verplicht de kwaliteitszorgsystematiek met betrekking tot toetsing en examinering beschreven te hebben, te onderhouden en hier naar te handelen. 

Worden elk jaar dezelfde typen vragen gesteld in de examens Engels?

De verdeling over type vragen ligt in grote lijnen vast. De meerkeuzevragen in de examens maken ongeveer zestig procent van de scorepunten uit en de andere vraagvormen ongeveer veertig procent. Andere vraagvormen zijn voorgestructureerde vragen zoals beweringenvragen, citeervragen en open vragen.

De verhouding van deze vraagvormen in een examen (bínnen die marge van ongeveer veertig procent van het totaal) ligt niet vast en ook niet welke subtypes worden gebruikt. Het kan dus gebeuren dat er een ‘nieuw’ type vraag in een examen voorkomt. 

Correctie

Een kandidaat heeft een vakterm verkeerd gespeld, of een vakterm in het Engels gegeven. Mag dit goed gerekend worden?

Als er geen verwarring mogelijk is met een andere vakterm, mag dit goed gerekend worden.

Het correctievoorschrift is erg streng, kan daar een aanvulling op komen?

Nee. Een correctievoorschrift dat als streng wordt ervaren, is geen reden voor een aanvulling. Een aanvulling op het correctievoorschrift wordt gedaan als er sprake is van een fout of een onduidelijkheid in het correctievoorschrift (zie Aanvullingen op het correctievoorschrift). 

In de techniek van het bepalen van de n-term (zie voor uitleg n-term) wordt hier automatisch rekening mee gehouden. Als een examen relatief veel makkelijke vragen bevat, wordt de n-term laag (minimaal 0,0). Bevat een examen relatief veel moeilijke vragen, dan wordt de n-term hoger. 

Hoe ga ik om met doorwerkfouten bij het cspe?

In het algemeen deel van het correctievoorschrift vmbo-bb/kb/gl bij regel 7 onder 2 Algemene regels staat het volgende:

‘Als een onvolkomen prestatie in een onderdeel van het examen doorwerkt in een daaropvolgend gedeelte, mag alleen die onvolkomen prestatie en niet de verdere uitwerking daarvan worden aangerekend, tenzij daardoor het volgende gedeelte aanzienlijk wordt vereenvoudigd of tenzij in het correctievoorschrift anders is vermeld.’
 

Hoe kan een school invulling geven aan de rol van de tweede examinator bij niet-automatisch scoorbare vragen in Facet van een cspe-onderdeel?

Bij niet-automatisch-scoorbare opdrachten in Facet van een cspe-onderdeel is er geen mogelijkheid in Facet voor tweede correctie. Hierbij zijn meerdere mogelijkheden voorhanden:

  • Samen nakijken;
  • De eerste examinator kijkt eerst na en vervolgens kijkt de tweede examinator de beoordelingen na. Het is belangrijk dat de eerste examinator de correctiemodule niet afsluit. 

Toelichting: In de onderdelen van het cspe die in Facet staan, zijn opdrachten opgenomen die niet automatisch scoorbaar zijn. De antwoorden van de kandidaten worden door de examinator via de Facet-correctiemodule beoordeeld. Er is voor deze onderdelen geen mogelijkheid, zoals bij de avo-vakken, voor tweede correctie door de tweede examinator.

Bij het cspe moet een tweede examinator betrokken zijn bij de beoordeling van de prestaties van een kandidaat. Deze regel is er onder meer om vergissingen tijdig te ontdekken en om zoveel mogelijk een objectieve beoordeling van leerlingen te realiseren. Het is aan de school zelf hier vanuit het oogpunt van kwaliteitszorg op een goede wijze invulling aan te geven.

Het betrekken van de tweede examinator bij de beoordeling van de niet-automatisch-scoorbare vragen in Facet past hier bij.

Hoeveel kandidaten kan een examinator tegelijkertijd beoordelen bij een cspe?

Bij diverse opdrachten wordt een advies gegeven over het aantal kandidaten dat tegelijkertijd (akg) door een examinator beoordeeld kan worden. Dit advies wordt meestal gegeven bij opdrachten die direct beoordeeld moeten worden. Denk daarbij aan procesbeoordelingen, klant- of oplevergesprekken, handelingsopdrachten en rollenspelen.

Het advies voor de akg staat in de vakspecifieke instructie examinator bij het profielvak. Deze informatie staat ook in het document ‘Overzicht opdrachten’ die in november wordt gepubliceerd op examenblad.nl op de pagina van de vakspecifieke informatie van het profielvak.

Als je van mening bent dat in jouw situatie (bijvoorbeeld door de lokaalinrichting/ werkopstelling) alle beoordelingsaspecten van een bepaalde opdracht tegelijkertijd bij meer dan het aangegeven aantal kandidaten beoordeeld kunnen worden door een examinator, dan kun je daar bij de organisatie van de afname rekening mee houden. Omgekeerd kan het natuurlijk ook zijn dat, gezien de lokaalinrichting/werkopstelling, een school besluit minder kandidaten tegelijkertijd door een examinator te laten beoordelen.

Leidend is de vraag of de kwaliteit van de beoordeling op orde is. Dit is de verantwoordelijkheid van de schoolleiding. Het bevoegd gezag van de scholen is ertoe gehouden de kwaliteitszorgsystematiek met betrekking tot toetsing en examinering beschreven te hebben, te onderhouden en hiernaar te handelen. Die moet ook kunnen volstaan als, op enig moment, (ouders/verzorgers van) kandidaten kritische vragen stellen over de wijze van beoordeling door betrokken examinator(en).

Ik heb een fout in het examen gevonden, wat moet ik hiermee doen?

De examenmakers doen hun uiterste best om (taal)fouten in de examens en correctievoorschriften te voorkomen. Het kan helaas gebeuren dat er een (taal-/stijl)fout blijft staan. Alleen als de fout een juiste interpretatie van een opgave en/of correctievoorschrift in de weg staat, meld je dit via de examenlijn. De fout kan dan mogelijk door een aanvulling op het correctievoorschrift worden rechtgezet.

Waarom doet de examenlijn geen uitspraak over leerlingantwoorden?

De examenlijn doet geen uitspraak over hoe de corrector een leerlingantwoord moet beoordelen. De examenlijn gaat uit van de professionaliteit van docent en corrector. Het correctievoorschrift is bindend. Dat betekent dat alle correctoren zich aan het correctievoorschrift moeten houden. 

Als de leerling een antwoord op een open vraag geeft dat vakinhoudelijk (gedeeltelijk) juist is, voorzie dit antwoord van scorepunten in overeenkomst met het beoordelingsmodel. De algemene regel 3.3 van het correctievoorschrift is hier voor bedoeld (voor digitale centrale examens bb en kb betreft dit algemene regel 2.3). 

Als de examenlijn leerlingantwoorden zou beoordelen, geeft zij een toelichting die het correctievoorschrift voor de betreffende corrector in feite uitbreidt of inperkt. Dat kan niet. De examenlijn geeft alleen correcties en aanvullingen op het correctievoorschrift via een aanvulling op het correctievoorschrift dat naar alle scholen wordt gezonden.

Als uit een antwoord blijkt dat een leerling de vraag anders heeft geïnterpreteerd, geldt algemene regel 3.3 uit het voorschrift niet. Ook niet als de corrector begrip heeft voor deze misinterpretatie. In dit geval is een melding via het contactformulier op examenloket.nl nodig en zal de examenlijn nagaan of er mogelijk iets mis is met de vraag.

Beide correctoren oordelen vanuit hun professionaliteit of antwoorden die door kandidaten gegeven worden, vallen onder de strekking van het correctievoorschrift. De corrector handelt dan niet naar de letter van het correctievoorschrift maar wel in de geest ervan.

Wanneer worden de correctievoorschriften op examenblad.nl gepubliceerd?

De correctievoorschriften zijn kort na afloop van het examen digitaal beschikbaar (in pdf) via examenblad.nl.

De correctievoorschriften zijn op de examendag te vinden op de pagina van het afgelegde examen. De correctievoorschriften staan onder het kopje Examenrooster en -documenten.

Uitgangspunt is dat de correctievoorschriften van examens die in de ochtend zijn afgenomen dezelfde middag om 14.00 uur op examenblad.nl staan. De correctievoorschriften van de middagzittingen van het vmbo worden om 16.00 uur gepubliceerd en van havo/vwo om 17.00 uur. Het correctievoorschrift voor vakken die meedoen aan de testcorrectie wordt later gepubliceerd.

Let op: Een correctievoorschrift is niet een verzameling goede antwoorden. Het is een bindend voorschrift waarmee een examinator het examenwerk beoordeelt en op grond waarvan hij punten toekent.

Wat moet ik doen als ik geen overeenstemming met mijn eerste/tweede corrector bereik?

Als eerste en tweede corrector werk je als een team om de leerling de totaalscore te geven die het best past bij zijn/haar prestatie. Wij gaan uit van je professionaliteit. Het is aan jou om van daaruit te beoordelen of antwoorden die door kandidaten gegeven worden, vallen onder de strekking van het correctievoorschrift. Uiteraard houd je je daarbij aan de algemene en vakspecifieke regels in het correctievoorschrift. Het corrigeren van examens is echter geen harde wetenschap en het correctievoorschrift biedt dan ook ruimte voor interpretatie. Onderling overleg tussen eerste en tweede corrector zal moeten uitwijzen of verschillen in de beoordeling vallen binnen deze interpretatieruimte of erbuiten.

Mocht je desondanks geen overeenstemming over de (eind)beoordeling bereiken met je tweede corrector, kun je het bevoegd gezag van je eigen school inschakelen. Wanneer het bevoegd gezag van beide correctoren ook geen overeenstemming bereiken, is de volgende (en laatste) stap om de inspectie te vragen een onafhankelijke derde correctie uit te voeren. In uitzonderlijke gevallen voert de inspectie dit verzoek uit. De uitkomst van de derde correctie is bindend. Dit kan gevolgen hebben voor de termijn waarop de uitslag aan de kandidaten kan worden bekendgemaakt en voor de eerder vastgestelde score. Het is niet toegestaan om zelf een onafhankelijke (derde) corrector aan te stellen.

De examenlijn is in bovengenoemde situatie geen partij en beoordeelt dan ook geen individuele leerlingantwoorden. Als je in het overleg met je tweede corrector stuit op een interpretatieverschil dat (mogelijk) veroorzaakt wordt door een onduidelijkheid in de vraagstelling of in het correctievoorschrift, kun je dit doorgeven aan de examenlijn via het contactformulier.

Mocht je tot de conclusie komen dat iets fout is gerekend dat naar jouw oordeel toch vakinhoudelijk juist was, dan kun je je collega-corrector vragen of deze bereid is het inzicht ook te overwegen. Daarbij kun je uiteraard ook een andere vakcollega of je examensecretaris raadplegen.

Wiskunde: Hoe ga je bij wiskunde vmbo om met een juiste berekening die niet in het beoordelingsmodel staat?

Als een leerling een berekening opschrijft die niet is voorzien in het beoordelingsmodel, maar die vakinhoudelijk correct is, kun je een dergelijk antwoord goed rekenen op grond van algemene regel 3.3* van het correctievoorschrift.

*Regel 3.3: indien een antwoord op een open vraag niet in het beoordelingsmodel voorkomt en dit antwoord op grond van aantoonbare, vakinhoudelijke argumenten als juist of gedeeltelijk juist aangemerkt kan worden, moeten scorepunten worden toegekend naar analogie of in de geest van het beoordelingsmodel.

Wiskunde: Hoe ga je bij wiskunde vmbo om met het antwoord van een leerling als deze gebruikmaakt van een verhoudingstabel?

Als een leerling in het antwoord gebruikmaakt van een tabel waarin de verhoudingen vakinhoudelijk correct zichtbaar worden gemaakt (de zogenaamde verhoudingstabel) dan kun je een dergelijk antwoord goed rekenen op grond van algemene regel 3.3 (regel 2.3 voor digitale examens)* van het correctievoorschrift.

*Regel 3.3 (2.3 voor digitaal): indien een antwoord op een open vraag niet in het beoordelingsmodel voorkomt en dit antwoord op grond van aantoonbare, vakinhoudelijke argumenten als juist of gedeeltelijk juist aangemerkt kan worden, moeten scorepunten worden toegekend naar analogie of in de geest van het beoordelingsmodel.

Wiskunde: Hoe ga je bij wiskunde vmbo om met meerdere afrondfouten in een tabel?

Als een leerling fout afrondt in een tabel, hiervoor in totaal 1 scorepunt in mindering brengen. Dit is in lijn met algemene regel 5 van het correctievoorschrift. Algemene regel 5: een fout mag in de uitwerking van een vraag maar één keer worden aangerekend, tenzij daardoor de vraag aanzienlijk vereenvoudigd wordt en/of tenzij in het beoordelingsmodel anders is vermeld. Algemene regel 5 is algemene regel 3 van het correctievoorschrift bij de flexibele en digitale examens vmbo bb en kb. 

Wiskunde: Hoe ga je om met de opmerking ‘of nauwkeuriger’ in het beoordelingsmodel wiskunde vmbo?

Als achter de uitkomst in het beoordelingsmodel ‘of nauwkeuriger’ staat, mag een kandidaat de uitkomst ook in meer decimalen geven dan het antwoord in het beoordelingsmodel. Hierbij is wel de voorwaarde dat het antwoord met meer decimalen goed is afgerond.

Voorbeeld

Stel dat in het beoordelingsmodel als uitkomst 3,34 (of nauwkeuriger) staat en dit een afronding van 3,34379 is. Een leerling geeft als eindantwoord 3,3437. Het getal 3,3437 is dan wel nauwkeuriger dan 3,34 maar is in dit geval niet juist afgerond. Een leerling verliest in dit geval helaas 1 scorepunt door het verkeerd afronden.

Wiskunde: Hoe ga je om met tussentijds afronden in het wiskunde vmbo-examen?

In de syllabus staat dat leerlingen moeten weten dat voortijdig afronden (of afkappen) ongewenste gevolgen kan hebben voor een gewenste nauwkeurigheid. Aan het werk van een leerling is niet te zien of een leerling een tussenantwoord afgerond of afgekapt heeft opgeschreven, maar daarna heeft doorgerekend met het niet afgeronde antwoord in de rekenmachine.

Daarom is de stelregel dat tussenantwoorden afgerond of afgekapt genoteerd mogen worden. Als corrector kijk je naar het eindantwoord. Als dat juist is, mag je ervan uitgaan dat de leerling niet tussentijds heeft afgerond. Als daarentegen bij een vraag wordt doorgerekend met tussenantwoorden die afgerond of afgekapt zijn, en dit leidt tot een ander eindantwoord dan wanneer doorgerekend is met niet afgeronde tussenantwoorden, dan wordt dit gezien als een rekenfout en wordt bij de betreffende vraag 1 scorepunt in mindering gebracht.

In het beoordelingsmodel staan achter tussenantwoorden vaak puntjes, bijvoorbeeld 3,28… . Dit is om aan te geven dat in het beoordelingsmodel niet het hele tussenantwoord staat. Er zijn correctoren die van leerlingen verwachten dat zij ook puntjes achter een tussenantwoord zetten. Maar het is niet nodig dat leerlingen dit ook doen. Het mag, maar het hoeft niet. 

Wiskunde: Hoe geef ik scorepunten bij een vraag waarbij een kandidaat moet inklemmen voor het juiste antwoord in het wiskunde vmbo-examen?

Meestal worden er bij een vraag waarbij een kandidaat moet inklemmen 3 scorepunten verdeeld: 1 scorepunt voor de juiste ondergrens, 1 scorepunt voor de juiste bovengrens en 1 scorepunt voor de juiste conclusie. Dit laatste scorepunt kan alleen toegekend worden als zowel de juiste ondergrens als de juiste bovengrens zijn gegeven. Als een van deze grenzen ontbreekt is de conclusie onvoldoende onderbouwd en wordt er dus maximaal 1 scorepunt toegekend.

Wiskunde: Hoe moet een kandidaat een betrouwbaarheidsinterval afronden op het centraal examen bij wiskunde A havo?

Wanneer in het examen om een betrouwbaarheidsinterval wordt gevraagd en daarbij wordt aangegeven dat het antwoord in een bepaald aantal decimalen moet worden gegeven, dan dient de kandidaat dit volgens de normale afrondregels te doen. Een antwoord waarbij bijvoorbeeld de grenzen ‘naar buiten toe’ zijn afgerond, dient als onjuist te worden aangemerkt. Stel dat de grenzen '2,37…' en '2,82…' op één decimaal moeten worden afgerond, dan geeft dat 2,4 en 2,8 en bijvoorbeeld niet 2,3 en 2,9.

Wiskunde A, B en C: Is een vraag die 2 scorepunten waard is deelbaar?

Soms komen in een beoordelingsmodel deelscores (bolletjes) voor die 2 scorepunten waard zijn. Sinds 2019 is in het beoordelingsmodel altijd een opmerking opgenomen waarin duidelijk wordt gemaakt of deze ‘deelbaar’ is of niet. Dat staat overigens los van het feit dat op grond van vakspecifieke regel 1 op grond van een rekenfout één scorepunt in mindering wordt gebracht. Dan blijft er vanzelfsprekend nog één scorepunt over voor dit antwoordelement.

Inzage en bewaartermijn

Hoe kan ik inzage krijgen in de digitale opdrachten en vragen?

Nadat de afnamegroep is afgesloten door de afnameleider kun je de afname inzien via de inzagefunctionaliteit in Facet. De afnameplanner heeft toegang tot deze inzagefunctionaliteit. Per leerling die in de planning staat, kun je via de knop ‘inzage’ de afname doorlopen. Hierbij zie je de vraag, het antwoord van de leerling, de antwoordsleutel en de (voorlopige) score.

Meer informatie over het organiseren van de inzage vind je op de website van DUO.

Normering, cijfers en uitslag

Bijna al mijn leerlingen maken een vraag fout. Dan deugt die vraag toch niet?

Om onderscheid te kunnen maken tussen (heel) goede en (veel) minder goede lezers moet een examen bestaan uit vragen die de hele range van (heel) moeilijk tot (heel) makkelijk bestrijken. Het is wel zo dat een vraag niet té moeilijk mag zijn; in principe wordt aangehouden dat minimaal 20% van alle leerlingen de vraag goed moet hebben gemaakt. Dit gaat dan om leerlingen in Nederland, niet in uw klas.

Hoe komt de n-term voor het tweede tijdvak tot stand?

De normeringsterm van het eerste tijdvak geldt als ‘basis’ voor het tweede tijdvak. Daarnaast worden de afnamegegevens van het tweede tijdvak examen geanalyseerd. Daarbij kijken we naar de deelpopulatie met een onvoldoende in het eerste tijdvak. Als deze kandidaten slechter scoren dan in het eerste tijdvak, dan is dat een signaal dat het tweede tijdvak moeilijker is. Is dat het geval dan zal de n-term ook hoger worden vastgesteld.

Wanneer weet ik welk cijfer ik heb voor een centraal examen?

De directeur deelt de cijfers mee aan de kandidaat zodra de eindcijfers en indien mogelijk de uitslag zijn vastgesteld.

Dit is geregeld in het Uitvoeringsbesluit WVO 2020, artikel 3.35 lid 7 (vmbo) en artikel 3.34 lid 5 (havo/vwo).

Weliswaar staat hier niet expliciet wanneer de centraal examencijfers bekend worden gemaakt, maar de eindcijfers kunnen pas worden vastgesteld als de behaalde cijfers voor de centrale examens bekend zijn. Vanzelfsprekend worden die op hetzelfde moment meegedeeld.

De cijfers voor het centraal examen zijn bekend als de zogenaamde n-term per vak bekend is. Deze wordt doorgaans op de tweede of derde woensdag in juni voor de algemene vakken bekend gemaakt. Voor de beroepsgerichte vakken is dit een week eerder.

Zie het onderwerp normering voor meer informatie.

Wat doet het College voor Toetsen en Examens (CvTE) als een examen(vraag) te moeilijk is?

Moeilijke examenvragen
Examenopgaven variëren in lengte, vraagvorm en het gevraagde vaardigheids- of kennisniveau. In elk examen worden zowel moeilijke als makkelijke vragen opgenomen. Sommige vragen kunnen als moeilijk worden ervaren, maar dragen er ook toe bij dat goede kandidaten zich kunnen onderscheiden. Andere vragen kunnen als makkelijk worden ervaren.

Moeilijke examens
We streven ernaar dat de examens elk jaar even moeilijk zijn. In de techniek van het bepalen van de n-term wordt hier automatisch rekening mee gehouden. Als een examen relatief moeilijk is, wordt de n-term hoger.

Docenten kunnen via Wolf of Facet aangeven hoe zij de moeilijkheidsgraad van een examen inschatten. Deze feedback wordt gebruikt om het examen van een passende n-term te voorzien.

Wat doet het College voor Toetsen en Examens (CvTE) als een examen te lang was?

Bij het ontwikkelen van de examens, besteedt het College voor Toetsen en Examens (CvTE) aandacht aan de vraag of het examen in de toegestane tijd past. Toch kan achteraf blijken dat het examen te lang was. Conclusies over de lengte van het examen kunnen niet eerder worden getrokken dan bij de normeringsvergadering. Samen met de vaststellingscommissie kijken we of er sprake van tijdnood was bij een examen. Hierbij maken we onder andere gebruiken van de toets- en itemanalyse en de quickscan, waarin docenten direct na het afronden van de correctie middels korte vragen feedback geven op het examen. Ook wegen we de reacties die we over een centraal examen hebben ontvangen van leerlingen via het LAKS en van docenten via onze eigen examenlijn. Als blijkt dat het examen te lang was, passen we een compensatie toe door de n-term op te hogen met een waarde die met vooraf vastgestelde formules wordt bepaald.

Examenproces

De n-termen voor de cspe’s zijn eerder beschikbaar dan de andere n-termen. Mag ik daarom ook eerder beginnen met de herkansingen voor de cspe’s?

Formeel is deze ruimte er. Echter, vanuit het bredere belang van o.a. de kandidaat is het wenselijk om eerst de uitslag van alle vakken af te wachten. Daarna kan er een goede beslissing en keuze gemaakt worden welk vak en welke onderdelen de kandidaat gaat herkansen.

Overige

Hoe geef ik in Wolf aan dat een kandidaat tijdgebrek heeft gehad bij een profielvak-cspe?

Zie hiervoor de handleiding Wolf voor examinatoren. Heeft een kandidaat een opdracht overgeslagen en is hij door tijdgebrek hier niet meer aan toegekomen, dan voer je in Wolf voor deze opdracht in plaats van een “0” een “N” in. 

Ik heb een nieuwe/niet werkende telefoon. Hoe pas ik mijn tweestapsverificatie aan?

De tweestapsverificatie pas je zelf aan op MijnExamenblad

Volg de volgende stappen:

  • Klik linksboven op je eigen naam en klik op Profiel bewerken (of klik rechtsboven op je naam en ga naar Accountgegevens).
  • In het tabblad Tweestapsverificatie kun je de 2fa via de app op je telefoon veranderen naar 2fa via de mail. Of andersom.

Lukt het niet, stuur een e-mail naar examenblad@cvte.nl.

Wat doet het CvTE met de feedback van docenten?

De examenlijn van het CvTE vindt het belangrijk dat docenten feedback geven op het examen, dat is goede input voor toekomstige examens. De examens en correctievoorschriften worden bepaald door een vaststellingscommissie van het CvTE. Hierin zitten onder anderen docenten op voordracht van vakbond of vakvereniging. De feedback wordt besproken tijdens de evaluatie van het examen en helpt de commissie bij de ontwikkeling van de toekomstige examens.

De meeste feedback kan worden doorgegeven via Wolf. Overige feedback over de centrale examens kan via het contactformulier van het Examenloket worden doorgegeven bij ‘opmerkingen/vragen over het centraal examen’ onder de categorie ‘evaluatieve opmerking’.

Wat is bij de cspe's het doel van het instructiefilmpje?

Er wordt per onderdeel een instructiefilmpje aangeleverd. Dezelfde informatie vind je ook in de instructie voor de kandidaat. Het doel van deze informatie is om de leerling voor de start van het examen een beeld te geven van  de opdrachten die de leerling gaat maken.. Het is niet de bedoeling dat deze informatie aan de kandidaten wordt gegeven om het examen thuis te oefenen of te leren.  

Rooster en activiteitenplanning

Wiskunde: Kan een kandidaat zowel het centraal examen wiskunde A als het centraal examen wiskunde B afleggen in het eerste tijdvak?

Ja, dat kan mits één van deze examens via een quarantainesessie wordt afgelegd. Wiskunde A en wiskunde B staan op hetzelfde moment in het rooster. Dat betekent dat een kandidaat die examen wil doen in wiskunde A én wiskunde B in het eerste tijdvak, één van deze examens in quarantaine moet afleggen. Voor het afleggen van een examen in quarantaine is toestemming van de inspectie belangrijk. Een alternatief voor een kandidaat met wiskunde A en wiskunde B in het pakket is om één van deze examens in het tweede tijdvak af te leggen.

Let wel: het is alleen toegestaan in twee wiskundevakken eindexamen af te leggen als het tweede wiskunde vak een extra vak is in het vrije deel. Het examen in het tweede wiskundevak is niet voldoende om te voldoen aan de profieleisen. Naast de tweede wiskunde moet er altijd een ander groot vak staan in het vrije deel. Zie ook het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

Een kandidaat kan ook kiezen voor de combinatie van wiskunde C en wiskunde B, in plaats van wiskunde A en wiskunde B. Hiervoor gelden dezelfde regels.