Scheikunde

Examenstof

Veelgestelde vragen

Scheikunde: Wat wordt bedoeld met de absolute waarde van de vormingswarmtes?

Zie het voorbeeld hieronder. In de deelscores wordt onder ‘absolute waarde’ de waarde bedoeld, die overgenomen wordt uit het informatieboek, zonder plus of minteken. Het verwerken van plus- of mintekens valt onder ‘rest van de berekening’. Het maakt bij het eerste bolletje dus niet uit of een leerling een verkeerd teken gebruikt omdat hij optelt in plaats van aftrekt of dat de leerling de vormingswarmte in plaats van de ontledingswarmte gebruikt. Deze fouten vallen allemaal onder de laatste deelscore.

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

Juiste berekening absolute vormingswarmtes

 

of 

Juiste berekening absolute vormingswarmtes

 

 

 

  • juiste absolute waardes van de vormingswarmtes              1
  • verwerking van de coëfficiënten                                          1
  • rest van de berekening                                                        1

Opmerking

De volgende berekening goed rekenen:

Juiste berekening absolute vormingswarmtes
Scheikunde: Onder welk scorepunt valt de deling aan het einde van de berekening?

Bij het beoordelen van een energieberekening bij scheikunde havo/vwo, onder welke scorebol valt het delen door het aantal mol stof?

Antwoord

We bespreken het antwoord aan de hand van een voorbeeldvraag.

Voorbeeldvraag

Gegeven is de vergelijking:

4 NH3 + 7 O2 à 4 NO2 + 6 H2O

Vraag: Bereken de reactiewarmte in J mol–1 NH3.

Beoordelingsmodel

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

Voorbeeld van een juiste energieberekening

 

of

Voorbeeld van een juiste energieberekening
  •  
  •  
  • juiste absolute waarden van de vormingswarmtes 1
  • verwerking van de coëfficiënten 1
  • rest van de berekening 1

Opmerking

Wanneer een antwoord is gegeven als:

Voorbeeld van een juiste energieberekening

 

 

Voorbeeld 1

Antwoord

De coëfficiënten zijn niet goed verwerkt in de berekening

 

Beoordeling: 2 punten

  • juiste absolute waardes van de vormingswarmtes 1
  • verwerking van de coëfficiënten 0
  • rest van de berekening 1

Toelichting

Deze kandidaat vergeet op het einde van zijn berekening te delen door 4. Hiermee heeft hij de coëfficiënten niet goed verwerkt. De rest van de berekening, de optelling en de verwerking van de plus en mintekens, voert hij juist uit.

Voorbeeld 2

Antwoord

De coëfficiënten zijn niet goed verwerkt in de berekening en een minteken voor de vormingswarmte van NO2

 

Beoordeling: 1 punt

  • juiste absolute waardes van de vormingswarmtes 1
  • verwerking van de coëfficiënten 0
  • rest van de berekening 0

Toelichting

Deze kandidaat vergeet te delen door 4. Hiermee heeft hij de coëfficiënten niet goed verwerkt. Bij de rest van de berekening maakt hij een tweede fout; hij zet namelijk een minteken voor de vormingswarmte van NO2.

Scheikunde: Welke naamgeving wordt gehanteerd in het examen?

Volgens de nieuwe IUPAC-naamgeving worden twee-atomige niet-binaire moleculaire stoffen zoals O2 en H2, dizuurstof en diwaterstof genoemd.

In het examen worden de namen van de stoffen getoetst zoals aangegeven in de specificatie B1.4 (syllabus 2024) en de specificatie M1.1 (syllabus 2024). In deze specificatie wordt niet naar de IUPAC-naamgeving verwezen. Daarom wordt in examens de oude naamgeving gehanteerd. Wanneer een kandidaat de nieuwe naamgeving gebruikt, dient dit natuurlijk goed te worden gerekend. Dit valt onder algemene regel 3.3 (vakinhoudelijk juist).

Scheikunde: Hoeveel significante cijfers heeft de pH bij een gegeven waarde van [H+]? En hoe zit dat andersom?

De vuistregel voor de berekening van de pH, die af te leiden is uit specificatie A8.3 in de syllabus, luidt:
Het aantal decimalen in de pH-waarde komt overeen met het aantal significante cijfers in de waarde van [H+] of [H3O+]

Voorbeeld 1:

gegeven [H+] = 1,5 x 10-2. “Bereken de pH.”

Het juiste antwoord pH = 1,82 bevat dus 2 decimalen.

Voorbeeld 2:

“Bereken hoeveel procent van het totaal aantal mol hexanoaat en hexaanzuur aanwezig is als hexaanzuur bij pH = 5,50 (T = 298 K).”

Het aantal decimalen in de pH is hier 2 dus hoort het antwoord 16 (%) in twee significante cijfers te zijn weergegeven.

Andersom geldt de vuistregel ook:
Het aantal significantie cijfers in de waarde van [H+] of [H3O+] komt overeen met het aantal decimalen in de pH-waarde.

Voorbeeld 3:

Gegeven pH = 1,82. “Bereken de waarde van [H+].”

[H+] = 1,5 x 10-2 in 2 significante cijfers.

Let op: Met ingang van 2021 wordt de significantie niet meer in elke rekenvraag beoordeeld. Voor informatie zie het artikel Significantie in de centrale examens scheikunde havo/vwo.

Officiële publicaties

Nieuws