Regeling aanwijzing niet c.e.-stof scheikunde havo 2004
kenmerk: CEVO-02-892datum: 2 juli 2002
gepubliceerd: Gele katern 2002, nr. 18, p. 122 t/m 123
In de regeling aanwijzing niet c.e. stof profielen vwo en havo 2004 en 2005 is aangekondigd dat de aanwijzing voor scheikunde havo later zou verschijnen. Dat geschiedt met deze regeling. De regeling betreft de examenjaren 2004, 2005 en 2006.
De regeling treedt op 1 augustus 2002 in werking.
De centrale examencommissie vaststelling opgaven,
gelet op de Regeling aanpassing verlichtingsmaatregelen profielen havo/vwo, VO/BOB/2001/28277, Gele katern nr.18a van 25juli 2001 en de Regeling profielen 2000, Uitleg Gele katern nr 9 van 29 maart 2000
Besluit:
Artikel 1. Aanwijzing scheikunde havo
Bij de centrale examens scheikunde havo worden met ingang van het examenjaar 2004 geen vragen gesteld over de subdomeinen, genoemd in bijlage 1.
Artikel 2. Bekendmaking
Deze regeling wordt bekend gemaakt in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 3. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op 1 augustus 2002.
Artikel 4. Citeertitel
Deze regeling kan worden aangehaald als de Regeling aanwijzing niet c.e.-stof scheikunde havo 2004.
de voorzitter van de CEVO,
drs J.Bouwsma
Toelichting
In de regeling aanwijzing niet c.e. stof profielen vwo en havo 2004 en 2005 is aangekondigd dat de aanwijzing voor scheikunde havo later zou verschijnen. Dat geschiedt met deze regeling. Het ligt in de bedoeling dat deze aanwijzing blijft gelden totdat een nieuw examenprogramma voor scheikunde zal zijn ingevoerd. Het betreft in elk geval de examenjaren 2004, 2005 en 2006.
In de aanwijzing is uitgegaan van de uitsluiting van twee grotere onderwerpen:
- het evenwichtsbegrip
- een groot deel van de systematische organische naamgeving.
Voorts is een aantal subdomeinen aangewezen die voornamelijk kennis over toepassingen van chemie bevatten. Dat zal overigens geen invloed hebben op de toetsing van chemische kennis in toepassingsgebieden, zoals deze in de huidige centrale examens geschiedt.
Door de uitsluiting van deze subdomeinen kunnen evenmin vragen gesteld worden over enige eindtermen in andere subdomeinen die een relatie hebben met een uitgesloten subdomein. Sommige eindtermen dienen in hun strekking iets anders te worden gelezen. Voorbeelden hiervan zijn het verschil tussen sterke en zwakke zuren en basen en het begrip buffer, vanwege hun relatie met het evenwichtsbegrip.
Om de vereenvoudiging van de organische naamgeving substantieel te maken én om duidelijk te maken wat de grenzen zijn tussen wat wel en wat niet gekend moet worden, wordt de examinering van de eindtermen 38 en 39 enigszins beperkt.
Bijlage 1
Aangewezen subdomeinen scheikunde h.a.v.o.
De volgende onderdelen komen met ingang van het centraal examen 2004 niet meer aan de orde op het centraal examen:
Subdomein B1 toepassingen (anorganisch) (eindtermen 1 en 2)
Subdomein C1 toepassingen van synthetische polymeren (eindtermen 14, 15, 16)
Subdomein C3 structuren van koolstofverbindingen
Van dit subdomein betreft de aanwijzing in hoofdzaak de eindtermen 41 en 43 (organische naamgeving), waarover geen vragen gesteld zullen worden. De examinering kan wel betrekking hebben op de andere eindtermen van dit subdomein, met de volgende aantekeningen:
- van eindterm 38 wordt bij de examinering niet verder gegaan dan homologe reeksen van verbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep. (Dus bijvoorbeeld geen diënen en diolen.)
- van eindterm 39 wordt bij de examinering niet verder gegaan dan koolstofverbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep (dus wel bijvoorbeeld 2-propanol en 2-chloorpropaan, maar niet 2-methylpropaan) en worden geen vragen gesteld over esters.
N.B.: het proces van polymerisatie (eindterm 30 van subdomein C2) moet wel gekend worden.
Subdomein D3 structuren van biochemische stoffen (eindtermen 53 t/m 56)
(i.v.m. organische naamgeving)
Subdomein E3 evenwichten (eindtermen 68 t/m 71)
In verband hiermee worden ook over de eindtermen 61, 67, 83, 92 en 96 geen vragen gesteld, zal wat betreft de eindtermen 89, 90 en 95 de vraagstelling geen betrekking hebben op zwakke zuren en zwakke basen en zal bij eindterm 95 ook niet naar buffers worden gevraagd. Tenslotte wordt aan eindterm 97 toegevoegd: gebruikmakend van de betrekking pH + pOH = 14,00 (bij 298 K).
N.B. Als gevolg van de aanwijzing van subdomein E3:
In reactievergelijkingen geen verschil maken tussen oplossingen van sterke en zwakke zuren:
. een oplossing van salpeterzuur weergeven als H+ + NO3-
. een oplossing van azijnzuur weergeven als H+ + CH3COO-
. een oplossing van koolzuur weergeven als (2) H+ + CO32-
In reactievergelijkingen geen verschil maken tussen oplossingen van sterke en zwakke basen:
. een oplossing van natriumhydroxide weergeven als Na+ + OH-
. een oplossing van natriumacetaat weergeven als Na+ + CH3COO-
. een oplossing van ammoniak (ammonia) weergeven als NH3
. een oplossing van natriumcarbonaat weergeven als (2) Na+ + CO32-
Subdomein G1 toepassingen (eindtermen 85 en 86)
Subdomein H1 toepassingen (100 t/m 105)
